Inbeslagneming dossiers verschoningsgerechtigde, geen zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan verschoningsrecht kan worden doorbroken

Rechtbank 's-Gravenhage 27 november 2012, LJN BY5600 Beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage, meervoudige raadkamer in strafzaken, op het beklag ex art. 552a Sv van klager strekkende tot teruggave van een aantal dossiers aan klager.

Aan de orde is de reikwijdte van het verschoningsrecht van klager - een advocaat, met een hem in rechte toekomende functionele geheimhoudingsplicht - ten aanzien van de onder hem inbeslaggenomen stukken.

Essentie

RC last na feitelijke inbeslagneming extra moment voor kennisneming dossier door advocaat en deken en schriftelijke standpuntwisseling over verschoningsrecht in. Beslissing over verschoningsrecht impliciet al genomen bij inbeslagneming; gang van zaken verder uitermate zorgvuldig. Geen grond voor oordeel dat redelijkerwijs geen twijfel is over onjuistheid van het standpunt van de advocaat dat dossier geen corpus delicti is of bevat. Wat er verder straf- of tuchtrechtelijk zij van de verdenking jegens de advocaat: in dit geval geen zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan verschoningsrecht kan worden doorbroken.

Algemeen overwegingen

Aan dat verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.

Ingevolge art. 98, eerste lid, Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv - waaronder klager - zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, ook zonder hun toestemming, in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend (zogenaamde corpora et instrumenta delicti); dergelijke brieven en geschriften vormen immers geen object van de aan die personen toekomende bevoegdheid tot verschoning.

De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken in beginsel toekomt aan de advocaat als de tot verschoning bevoegde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven en geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan gediend hebben en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is, zo heeft de Hoge Raad verschillende malen benadrukt.

Het verschoningsrecht van een advocaat is evenwel in zoverre niet absoluut dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt is niet in een algemene regel samen te vatten. Voor het oordeel dat van zodanige omstandigheden - en derhalve van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht - sprake is, gelden zware motiveringseisen (HR NJ 2006, 622, LJN AV2386).

Dit brengt mee dat, waar doorzoeking ter inbeslagneming bij een advocaat zonder diens toestemming reeds kan plaatsvinden als het gaat om brieven en geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, die toestemming in geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden evenmin nodig is als de doorzoeking ter inbeslagneming een verdere strekking heeft, en is gericht op brieven en geschriften die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. In een dergelijk uitzonderlijk geval dient de doorzoeking door de rechter-commissaris te geschieden en is het niet aan de verschoningsgerechtigde advocaat om te bepalen of, en zo ja welke stukken onder zijn verschoningsrecht vallen. Het oordeel of in een zodanig geval bepaalde brieven of geschriften redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met de desbetreffende feiten dat zij kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen, komt dan in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris, bij voorkeur in gezamenlijk overleg met de deken van de Orde van Advocaten in het desbetreffende arrondissement of diens vervanger (HR NJ 2003, 621, LJN AD5297). Op grond van art. 96c, eerste lid, jo art. 110 Sv kan een rechter-commissaris daarom het kantoor van een persoon met bevoegdheid tot verschoning ter inbeslagneming doorzoeken.

Het oordeel van de rechter-commissaris kan worden aangevochten in een beklagprocedure als de onderhavige dan wel ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in de strafzaak zelf. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt laat zich niet in een algemene regel samenvatten. De enkele omstandigheid dat een advocaat als verdachte wordt aangemerkt is in ieder geval niet toereikend om zijn verschoningsrecht te doorbreken (vgl. HR 10 oktober 1950, 1951, 356). Dat kan anders zijn bij verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een advocaat met bepaalde cliënten. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de advocaat geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt. In een dergelijk geval dienen het verschoningsrecht en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden te wijken voor het belang van de strafvordering, zij het dat ook dan de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit, waarbij zorg moet worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de advocaat dan de cliënten die betrokken zijn bij de strafbare feiten waarvan de advocaat wordt verdacht, onevenredig zouden worden getroffen.

Gevolgde procedure rond het beslag 

In dit geval heeft de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie van 29 maart op 4 april 2012 in aanwezigheid van klager en mr. A. Sennef, waarnemend deken van de Haagse Orde van Advocaten, een binnentreding en doorzoeking ter inbeslagneming verricht ten kantore van het advocatenkantoor van klager. Hierbij zijn de hiervoor vermelde dossiers, eerst nadat mr. Sennef daar tezamen met klager inzage in heeft gehad, in verzegelde enveloppen meegenomen naar het Paleis van Justitie en in een kluis op het kabinet van de rechter-commissaris in bewaring gesteld. De rechter-commissaris heeft de dossiers niet ingezien.

Op uitnodiging van de rechter-commissaris hebben vervolgens de officier van justitie en de raadsvrouw van klager bij brieven van 6 april 2012 respectievelijk 12 april 2012 hun zienswijze op de inbeslagname kenbaar gemaakt aan de rechter-commissaris. Voorts heeft mr. E.A. van Win, toenmalig deken van de Haagse Orde van Advocaten, de rechter-commissaris bij brief van 4 juli 2012 laten weten dat hij - na bestudering van de in beslag genomen dossiers - tot het oordeel is gekomen dat de geheimhoudingsplicht van klager, behoudens ten aanzien van één zich in de dossiers bevindend processtuk - dat hier verder buiten beschouwing kan blijven -, diende te worden gerespecteerd, met het verzoek het beslag op de overige stukken op te heffen. Hierop heeft de officier van justitie bij brief van 17 juli 2012 zijn standpunt naar aanleiding van dat verzoek kenbaar gemaakt.

Bij beschikking van 18 juli 2012 heeft de rechter-commissaris overwegingen gewijd aan het verschoningsrecht en beslist dat de dossiers ter beschikking van de officier van justitie worden gesteld, tenzij door klager beklag op grond van art. 552a Sv zou worden ingesteld. Dat is bij klaagschrift van 30 juli 2012 geschied.

Rechtmatigheid van het beslag 

De rechtbank stelt voorop dat de rechter-commissaris met de door haar gevolgde werkwijze, waarbij iedere procesdeelnemer in de gelegenheid is gesteld zich over het beslag uit te laten voordat de rechter-commissaris verdere actie zou ondernemen, een grote mate van zorgvuldigheid heeft betracht, waarbij zij er zorg voor heeft gedragen dat de kans dat derden kennis van de geheime gegevens konden nemen minimaal is gebleven.

De rechtbank dient vervolgens de in het klaagschrift geopperde vraag te beantwoorden of de rechter-commissaris de voor de inbeslagname vastgestelde procedure overeenkomstig de strafvorderlijke regels heeft gevolgd, nu klager heeft gesteld dat de rechter-commissaris niet - voorafgaand aan de inbeslagname - heeft getoetst of al dan niet sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. De rechtbank leidt uit de hiervoor weergegeven gang van zaken het volgende af. De rechter-commissaris heeft met het binnentreden en doorzoeken ter inbeslagname klaarblijkelijk (impliciet) kenbaar gemaakt dat zij op dat moment reeds van oordeel was, dat sprake was van één (of meer) van de hiervoor genoemde uitzonderingen die in casu een doorbreking van het verschoningsrecht van klager rechtvaardigde.

De rechter-commissaris heeft vervolgens alle betrokkenen, in het bijzonder klager en mr. Sennef, die beiden ten tijde van de inbeslagname nog niet op de hoogte waren of konden dan wel mochten zijn van alle in deze zaak van belang zijnde gegevens, de uitdrukkelijke gelegenheid gegeven nader kennis te nemen van de inbeslaggenomen stukken, kennelijk om aldus tot een weloverwogen definitief standpunt te komen, hetgeen overigens ook in raadkamer is bevestigd door de waarnemend deken mr. Sennef. Vervolgens heeft de rechter-commissaris bij beschikking van 18 juli 2012 (nogmaals maar nu expliciet) beslist dat hier sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden als hiervoor bedoeld.

Een inbeslagneming is voltooid op het moment dat de inbeslaggenomen dossiers feitelijk uit de macht van de verschoningsgerechtigde en in de macht van de rechter-commissaris raken. Door daarna en na een standpuntwisseling expliciet schriftelijk te beslissen over het verschoningsrecht,lijkt het eerdere, impliciete oordeel nooit te zijn gegeven.

In dat licht overweegt de rechtbank als volgt. De door de rechter-commissaris gevolgde procedure, die de rechtbank - gelet op de omstandigheden waaronder en het klaarblijkelijke doel waartoe de rechter-commissaris deze heeft gevolgd-, beschouwt als een vorm van 'bevriezing' niet enkel van de feitelijke toestand van de dossiers, maar juist ook van de procedure en beslissing tot inbeslagneming, kent geen wettelijke basis en is evenmin in de jurisprudentie aanvaard. Daarmee is sprake van een niet reparabel vormverzuim binnen de inbeslagneming.

De rechtbank is echter voorts van oordeel dat de rechter-commissaris met de door haar gevolgde zorgvuldige bijzondere werkwijze de belangen die art. 98 Sv beoogt te beschermen ook daadwerkelijk heeft beschermd, zonder daarmee enig strafvorderlijk belang van klager te frustreren. Klager en deken - die al ten tijde van de doorzoeking een standpunt konden innemen - hebben door deze procedure daarna de dossiers andermaal, zonder haast, kunnen doornemen en in alle rust een verder standpunt kunnen formuleren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat klager door de onderhavige gevolgde procedure niet in enig in rechte te respecteren belang is geschaad. Enig nadeel hiervan voor klager is niet gesteld en de rechtbank evenmin ambtshalve gebleken. Het tegendeel lijkt eerder aan de orde te zijn. De rechtbank volstaat daarom met het benoemen van evengenoemd vormverzuim. Anders dan de verdediging van klager is de rechtbank van oordeel dat de gevolgde werkwijze rond de inbeslagneming voldoende, in dit geval zelfs uitermate zorgvuldig is geweest (vgl. HR 30 augustus 2005, LJN AT7093).

Is er sprake van een uitzondering op art. 98 Sv? 

De rechtbank stelt voorop vast dat klager geen toestemming heeft gegeven tot inbeslagname, terwijl voorts evident is dat de inbeslaggenomen dossiers vallen onder klagers geheimhoudingsplicht.

Voor de beoordeling van het beklag is vervolgens het volgende van belang. Met het oog op de onderliggende stukken in de strafdossiers, kan de rechtbank zich verenigen met het oordeel van de rechter-commissaris dat ten aanzien van de zaken [B]en [A]gesproken kan worden van een redelijk vermoeden van schuld dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, te weten oplichting van een rechtbank en valsheid in geschrift. De enkele omstandigheid dat klager als verdachte van enig strafbaar feit kan worden aangemerkt, is als gesteld niet toereikend om zijn plicht tot geheimhouding te mogen doorbreken. Daarvoor is vereist dat, zoals eveneens uit de hiervoor weergegeven jurisprudentie van de Hoge Raad volgt, het in beslag genomen een zogenoemd corpus behelst of dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die de geheimhoudingsplicht kunnen doorbreken.

Corpora? 

De rechtbank moet zich daarom eerst buigen over de vraag of enige van de in beslag genomen stukken in het dossier [B] en de zaak [A] als corpora kunnen worden aangemerkt.

Klager heeft zich hiertoe op het standpunt gesteld dat het geheel aan de inbeslaggenomen stukken geen voorwerp van enig strafbare feit uitmaken, noch tot het begaan daarvan hebben gediend.

De rechter-commissaris heeft zich hierover niet uitgelaten.

De rechtbank stelt voorop dat het standpunt van klager in beginsel moet worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. De rechtbank is, alles bijeen genomen, van oordeel dat zij noch op grond van het strafdossier noch uit het verhandelde ter zitting in raadkamer redelijkerwijze geen twijfel erover heeft dat dat standpunt van klager op dit punt onjuist is. Bij deze beoordeling betrekt de rechtbank mede de verklaring van de waarnemend deken. Zij is na kennisname van de inhoud van de dossiers tot de conclusie gekomen dat deze dossiers ten aanzien van klager geen corpora vormen, waarbij de rechtbank opmerkt, dat uit het strafdossier naar voren is gekomen dat de dossiervorming van de dossiers [B] niet alleen door klager maar ook door een voormalig kantoorgenoot van klager tot stand is gekomen.

Ten aanzien van de dossiers [A] is gesteld noch gebleken dat deze als corpora zouden kunnen worden aangemerkt.

De vraag naar het mogelijke bestaan van corpora ten aanzien van de inbeslaggenomen dossiers beantwoordt de rechtbank dan ook ontkennend.

Zeer uitzonderlijke omstandigheden?

De vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt laat zich niet in algemene termen beantwoorden. Het gaat daarbij wel steeds om de afweging van het belang van het verschoningsrecht tegen het belang dat de waarheid aan het licht komt. De Hoge Raad heeft enkele meer algemene factoren genoemd die voor de beoordeling van de uitzonderlijkheid van de omstandigheden een rol (kunnen) spelen:

  • de vraag of het gaat om een tegen een verschoningsgerechtigde bestaande verdenking;
  • de aard en zwaarte van de delicten waarvan een verschoningsgerechtigde wordt verdacht (zie bijv. HR NJ 2002, 438, m.nt. Buruma, LJN AD9162);
  • de aard en de omvang van de gegevens waarop de inbeslagneming rust, en
  • de vraag in hoeverre de relevante gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen (zie bijv. HR NJ 2006, 622, m.nt. J. Boer, LJN AV2386).

Ten aanzien van het dossier [A] betreft de verdenking in het bijzonder de vraag of de heer [C] zich gedurende de behandeling van een civiele zaak bij de rechtbank te Assen ten onrechte heeft voorgedaan als zijn broer, [D], én of klager als zijn behandelend advocaat op die zitting daarvan op de hoogte was maar zich daarover niet ter zitting heeft uitgelaten ten opzichte van de behandelend rechter. Naar het oordeel van de rechtbank had het openbaar ministerie de mogelijkheid om ander én minder ingrijpend onderzoek te doen teneinde de waarheid op dit specifieke punt aan het licht te brengen, is van die mogelijkheid gebruik gemaakt - zo is onder meer de comparitierechter gehoord - en bestaat zij nog steeds. Ook desgevraagd, en dat geldt voor het gehele beslag, heeft de officier van justitie niet medegedeeld welke informatie hij in de dossiers zoekt, die niet op andere wijze verkregen zou kunnen worden. Dat is eens temeer van belang nu het feiten betreft die zich in de openbaarheid zouden hebben afgespeeld. Van zeer uitzonderlijke omstandigheden die nopen tot het doorbreken van de geheimhoudingsplicht is aldus - wat er verder ook zij van de juistheid van het standpunt van de waarnemend deken dat (kort gezegd) het handelen van klager niet tuchtrechtelijk laakbaar zou zijn - naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van bedoeld dossier thans nog geen sprake.

Voorts acht de rechtbank in het bijzonder de aard, ernst en omvang van de verdenking zowel ten aanzien van klager in de zaak [A] als ten aanzien van klager in de zaak [B],- wat er nadrukkelijk verder straf- en tuchtrechtelijk ook zij van de verdenking - niet voldoende zwaarwegend dat deze, beoordeeld naar de toets van de zeer uitzonderlijke omstandigheden, zonder meer een doorbreking van het verschoningsrecht kunnen rechtvaardigen. De verdenking betreft relatief beperkte feiten in aard, tijd en omvang, terwijl bijvoorbeeld voorts een crimineel samenwerkingsverband van klager met andere verdachten niet door de officier van justitie wordt verondersteld.

De vordering van de officier van justitie en het oordeel van de rechter-commissaris houden in dat de verdenking zodanig samenhangt met de kern van de werkzaamheden van klager en een ontwrichtende werking hebben op het vertrouwen dat in de werkzaamheden van een advocaat moet kunnen worden gesteld in de samenleving in het algemeen en in civiele zaken met verplichte procesvertegenwoordiging in het bijzonder, dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake is. Die redenering, die klaarblijkelijk is ontleend aan een arrest van de Hoge Raad in een zaak waarin de Hoge Raad op deze grond een doorbreking van het verschoningsrecht van een notaris sauveerde, volgt de rechtbank niet.

Een vergelijking met de kerntaak van een notaris kan reeds geen stand houden nu het onafhankelijke ambt van notaris in de kern mede een maatschappelijk zwaarwegende functie behelst die voorschrijft dat een notaris de authenticiteit van bepaalde stukken verifieert en bevestigt, zodat daarop in het maatschappelijk verkeer kan en mag worden vertrouwd. Dit is een wezenlijk andere kerntaak dan die van een advocaat, van wie het ook in civiele zaken niet tot de beroepsuitoefening behoort dat hij van alle stukken die cliënten hem aandragen de authenticiteit verifieert maar van wie vooreerst - als partij - wordt verlangd het persoonlijke en zakelijke belang van zijn cliënt(en) te verdedigen. Het in art. 21 Rv bepaalde maakt dit niet anders.

De rechtbank komt dan ook op grond van het vorenoverwogene ten aanzien van beide inbeslaggenomen zaaksdossiers tot de slotsom dat in casu niet, althans niet zonder meer, gesproken kan worden van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht van klager mag worden doorbroken.

Het beklag dient gegrond te worden verklaard, met last tot teruggave van het inbeslaggenomene aan klager.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF