In cassatie kan niet voor het eerst worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn a.b.i. art. 6 EVRM

Hoge Raad 13 november 2012, LJN BX9570 Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 24 februari 2011 voor

  1. medeplegen van gewoontewitwassen en voor
  2. deelneming aan een organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en tot een werkstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis.

Het middel klaagt ten eerste dat de redelijke termijn is overschreden omdat de gehele procedure te veel tijd in beslag heeft genomen.

In aanmerking genomen dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de verdachte aldaar is verschenen en werd bijgestaan door een raadsman doch niet blijkt dat door of namens de verdachte aldaar is aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, was het Hof niet gehouden te doen blijken dat het heeft onderzocht of een zodanige overschrijding heeft plaatsgehad en kan daarover niet met vrucht voor het eerst in cassatie worden geklaagd.

Het middel faalt in zoverre.

Het middel klaagt ten tweede dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

Deze klacht is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

 

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF