Afwijken van de reguliere raadkamerdag voor de behandeling van hoger beroep tegen de afwijzing inbewaringstelling geen schijn van partijdigheid

Rechtbank Roermond 5 november 2012, LJN BY2936 (gepubliceerd op 14 november 2012) Het ontstaan en het verloop van de procedure 

Op 5 november 2012 heeft de behandeling in raadkamer van de rechtbank Roermond plaatsgehad van het door het OM ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 2 november 2012, houdende de afwijzing van de vordering in bewaringstelling van verzoeker. De raadkamer bestaande uit de voorzitter, rechter 1 en rechter 2 heeft bij de behandeling van het hoger beroep verzoeker, de advocaat en de officier van justitie, gehoord. Van die behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. Uit dit proces-verbaal blijkt onder meer dat de advocaat bezwaar heeft gemaakt tegen behandeling van het hoger beroep op een dag, niet zijnde de reguliere dag waarop de raadkamer zitting heeft, te weten de donderdag. De advocaat heeft aanhouding verzocht van de behandeling van het hoger beroep tot de eerstkomende donderdag. De raadkamer heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen, waarop de advocaat de drie leden van de raadkamer heeft gewraakt.

Op 5 november 2012 heeft de behandeling van het wrakingsverzoek plaatsgehad. De rechtbank heeft op het verzoek gehoord, verzoeker, de advocaat en de voorzitter van de raadkamer. Bij de behandeling was tevens aanwezig de officier van justitie. Nadat de rechtbank zich voor overleg in raadkamer heeft teruggetrokken, is diezelfde middag onder mededeling van de gronden waarop deze berust mondeling uitspraak gedaan; dit onder de mededeling dat de uitspraak zo spoedig mogelijk op schrift zal worden gesteld en aan partijen zal worden toegezonden.

De gronden van het wrakingsverzoek 

Als grond voor het wrakingsverzoek is het volgende aangevoerd. De advocaat stelt zich op het standpunt dat de raadkamer met de weigering om de behandeling van het hoger beroep aan te houden tot de eerstkomende donderdag de objectieve schijn van partijdigheid heeft gewekt. Het is bestendig gebruik om ten aanzien van de behandeling van hoger beroepen niet af te wijken van de reguliere raadkamerdag. Een en ander is niet geregeld in het landelijk procesreglement en er is dan ook geen sprake van een vaste norm.

Het standpunt van de gewraakte rechters 

De voorzitter van de raadkamer heeft ter zitting de beslissing van de raadkamer tot weigering van de aanhouding van het hoger beroep nader toegelicht. De voorzitter heeft er op gewezen dat er geen regel is voor vaststelling van datum en tijdstip van behandeling van een hoger beroep als het onderhavige. Er wordt gekeken naar de wederzijdse belangen. De raadkamer heeft ook nu die belangenafweging gemaakt en de behandeling van het hoger beroep op verzoek van het Openbaar Ministerie vastgesteld op 5 november 2012. Daarnaast is afwijking van de reguliere raadkamerdag niet ongebruikelijk en gebeurt dit ook bij behandeling van schorsingsverzoeken.

De beoordeling van het verzoek 

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn. Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.

Voorop gesteld wordt dat aan de door de advocaat aangevoerde omstandigheden geen aanwijzing valt te ontlenen voor het oordeel dat de raadkamer of één of meer van haar leden - subjectief - niet onpartijdig was. Daartoe heeft de advocaat niets aangevoerd. Vervolgens moet worden onderzocht of er sprake is van een objectieve schijn van vooringenomenheid. De rechtbank overweegt in dat verband dat het de raadkamer in beginsel vrijstaat om de behandeling van het appel niet op de vaste, reguliere, raadkamerdag te laten plaatsvinden. Een en ander is niet in strijd met het landelijk procesreglement noch enige andere – wettelijke – bepaling. Het resultaat van de door de raadkamer gemaakte belangenafweging zegt bovendien niets over de uitkomst van het hoger beroep zélf. De raadkamer loopt daarmee niet vooruit op de ten gronde te nemen beslissing. Daarnaast acht de rechtbank het van belang dat behandeling van verzoeken anders dan op de reguliere raadkamerdag, zoals thans aan de orde, geen zeldzaamheid is. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat een dergelijke afwijking van de reguliere zittingsdag ook in vergelijkbare gevallen plaatsvindt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door de raadkamer gemaakte belangenafweging geen blijk van partijdigheid geeft.

Uit het vorenstaande volgt dat de door verzoeker veronderstelde vrees voor partijdigheid van de gewraakte rechters, naar het oordeel van de rechtbank, niet is aangetoond noch anderszins is gebleken of aannemelijk geworden.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het wrakingsverzoek ongegrond is en afgewezen moet worden.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF