Hypotheekfraude: betoog verdediging dat uitgeleverde hypotheekdossiers onrechtmatig zijn verkregen faalt

Rechtbank Oost-Brabant 31 juli 2015, ECLI:NL:RBOBR:2015:4671 Verdachte wordt van hypoteekfraude verdacht. Hij zou bij de aanvragen van hypothecaire geldleningen gebruik hebben gemaakt van een valse werkgeversverklaring (feit 1) en valse salarisspecificaties (feit 1 & 2). Deze aanvragen zijn vervolgens gehonoreerd.

Standpunt verdediging

De verdelging heeft aangevoerd dat alle in het onderhavige onderzoek uitgeleverde hypotheekdossiers onrechtmatig zijn verkregen.

Er bestond een onvoldoende verdenking in de zin van artikel 27 Sv. om een onderzoek jegens verdachte te starten. De grotendeels daaraan ten grondslag liggende CIE-informatie was onvoldoende concreet en specifiek. De in artikel 126nd Sv. vervatte opsporingsbevoegdheid had op grond van die vage informatie niet toegepast mogen worden. Het tijdsverloop in het onderzoek heeft bovendien een mogelijk ‘redelijke’ verdenking aangetast. Het dossier bevat geen (registratie van de achterliggende) vorderingen ex artikel 126nd Sv die specifiek betrekking hebben op de in feiten 1 en 2 genoemde percelen/panden. De onrechtmatig verkregen hypotheekdossiers dienen te worden uitgesloten van de bewijsvoering. Dit dient tot een integrale vrijspraak te leiden vanwege onvoldoende bewijs. Vrijspraak dient bovendien te volgen omdat verdachte de indiening van de hypotheekaanvragen had uitbesteed aan intermediairs en niet wist dat daarbij valse stukken werden overgelegd.

Standpunt officier van justitie.

Feiten 1 en 2 kunnen worden bewezen. Uit de gezamenlijkheid van de in de processen-verbaal AH-002 en AH-001 vervatte informatie kon een voldoende redelijke verdenking ex artikel 27 Sv. jegens verdachte worden afgeleid ter zake van witwassen. De afzonderlijke CIE-informatie vormde niet de grondslag voor het onderzoek. Het hypotheekdossier dat betrekking heeft op feit 2 is als extra informatie aangeleverd naar aanleiding van een art. 126nd SV-vordering gericht op een ander hypotheekdossier. Dat volgt uit het proces-verbaal AH-11. Het is aannemelijk dat het hypotheekdossier uit feit 1 ook als bijvangst bij een andere art. 126nd Sv.-vordering is verstrekt. De versie van de verdediging dat verdachte vanwege een (gestelde) tussenschakel van intermediairs niets wist van de gebruikmaking van valse stukken, dient als niet aannemelijk terzijde te worden geschoven.

Oordeel rechtbank

Aanleiding onderzoek/vordering gegevens ex artikel 126nd Sv.

Uit het proces-verbaal AH-002 d.d. 12 december 2008 van de Belastingdienst/ FIOD-ECD volgt dat er in 2007 in Brabant Zuid-Oost onderzoek is gestart naar zogenaamde fiscale vrijplaatsen, zoals coffeeshops, vanwege structurele en grootschalige fraude. In dat kader werd medeverdachte, vennoot van bedrijf 4, onderwerp van onderzoek en wel naar aanleiding van een onroerend goed transactie waarbij ook verdachte betrokken was. In het onderzoek naar medeverdachte bleek onder meer dat hij en verdachte op het gebied van onroerende zaken samenwerkten. medeverdachte bleek 58 onroerende zaken op zijn naam te hebben staan en verdachte 63 onroerende zaken. Een aantal van deze onroerende zaken waren gezamenlijk eigendom van medeverdachte en verdachte. Zij bleken beiden ook meerdere antecedenten op het gebied van Opiumwetdelicten te hebben.

Met verwijzing naar de inhoud van het hiervoor beschreven proces-verbaal is op 9 januari 2009 een verdenkingsproces-verbaal jegens verdachte opgesteld (AH-001). Hierin is de financiële positie van verdachte nader in kaart gebracht. Uit het Kadaster bleek dat verdachte op dat moment eigenaar was van 46 objecten, met een totale aankoopwaarde van € 5.535.921,-, aangekocht tussen 1999 en 2008, dit terwijl uit gegevens van de Belastingdienst niet bleek van een bekend legaal inkomen in de periode 2000 t/m 2007, waaruit de aanschaf van het onroerend goed was te verklaren. Vanaf 2003 bleek sprake te zijn van een oplopend banksaldo en de transacties in het onroerend goed bleken niet te passen binnen de normale beroeps- of bedrijfsuitoefening van verdachte 1. Het verdenkings-proces-verbaal maakt tot slot melding van vier processen-verbaal van de CIE (AH 003 t/m -006) uit 2008 met informatie over - kort gezegd - het uitgavenpatroon van verdachte.

De rechtbank oordeelt dat uit de hiervoor weergegeven inhoud van de processen-verbaal AH-002 en AH-01, bijeengenomen, genoegzaam blijkt van een redelijke verdenking ex artikel 27 Sv. jegens verdachte ter zake van witwassen. De rechtbank heeft bij dit oordeel geen betekenis toegekend aan de inhoud van de processen-verbaal van de CIE, zodat hetgeen daarover door de verdediging is aangevoerd geen verdere bespreking behoeft. De rechtbank is voorts van oordeel dat de hiervoor vastgestelde verdenking een voldoende en dus rechtmatige grondslag vormt voor het vorderen van gegevens bij de verschillende hypotheekverstrekkers conform het bepaalde bij artikel 126nd Sv.

De officier van justitie heeft in dat verband bij haar proces-verbaal van bevindingen van 15 juni 2015 een overzicht bijgevoegd met alle uitgegane vorderingen ex artikel 126nd Sv. De rechtbank acht alle op grond van dat overzicht verstrekte hypotheekdossiers rechtmatig verkregen. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat, anders dan de verdediging meent, het enkele tijdsverloop in het onderzoek geen afbreuk doet aan de eerder gerezen verdenking. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank de door de verdediging in het kader van de verdenking en vordering van gegevens gevoerde verweren.

Ontbreken vorderingen ex art. 126nd Sv aan bedrijf 2 (feit 1) en de bedrijf 3 (feit 2)

De officier van justitie heeft in haar proces-verbaal d.d. 15 juni 2015 gemeld dat de hypotheekdossiers van bedrijf 2 (feit 1) en de bedrijf 3 (feit 2) niet, in tegenstelling tot hetgeen in het eindproces-verbaal staat gerelateerd, door middel van afzonderlijke vorderingen ex artikel 126nd Sv. zijn verkregen. Dat blijkt ook uit het door de officier van justitie verstrekte overzicht van de uitgegane vorderingen, waarvan de rechtbank hiervoor reeds melding heeft gemaakt. De rechtbank stelt vast dat het procesdossier geen afzonderlijke (registratie van) vorderingen ex artikel 126nd Sv. bevat ter zake van de in feit 1 en feit 2 genoemde percelen. De vraag die thans dan ook voorligt is hoe de daarop betrekking hebbende hypotheekdossiers zijn verkregen.

Hypotheekdossier van bedrijf 3 (feit 2)

Uit het proces-verbaal AH-011 volgt dat op 16 maart 2010 het hypotheekdossier van de onroerende zaak van het bungalowpark te adres 6 door middel van een vordering van de officier van justitie is opgevraagd. Uit het door de officier van justitie verstrekte overzicht van uitgegane vorderingen en de daaraan gelieerde onderliggende stukken blijkt dat het een vordering aan de bedrijf 3 betreft ter zake van perceel adres 6 en dat de bedrijf 3 in dat verband twee hypotheekdossiers heeft verstrekt.

Uit voornoemd proces-verbaal AH-011 volgt voorts dat bij het door de bedrijf 3 verstrekte hypotheekdossier tevens informatie is aangetroffen betreffende een OpMaat-Hypotheek van €118.000 voor verdachte. Dit betreft een aanvraag van een hypotheek voor een andere recreatiewoning. Hierbij is tevens een salarisspecificatie van de maand februari 2005 aangetroffen betreffende werknemer verdachte 1 en werkgever bedrijf 1 te Son. Er is sprake van een brutosalaris van € 3.850 en verdachte 1 zou sinds 1 februari 2001 in dienst zijn bij bedrijf 1. De rechtbank stelt vast dat deze salarisspecificatie deel uitmaakt van de stukken betreffende de OpMaatHypotheek van de bedrijf 3 van € 118.000 voor het perceel met recreatiewoning gelegen aan de adres 5 (ook genaamd adres 4).

De rechtbank acht aldus aannemelijk dat de bedrijf 3 bij de uitvoering van de, zoals hiervoor reeds vastgestelde rechtmatige, vordering tot verstrekking van gegevens van adres 6 gelegen op bungalowpark tevens ongevraagd hypotheekgegevens van het onder feit 2 betreffende perceel/object heeft verstrekt. De rechtbank oordeelt dat deze gegevens daarmee onder een rechtmatige titel zijn verkregen en kunnen worden gebezigd in de bewijsvoering. Het daarop betrekking hebbende verweer van de verdediging faalt.

Hypotheekdossier van bedrijf 2 (feit 1)

De rechtbank stelt vast dat de hypotheekstukken van het onder feit 1 genoemde perceel weliswaar zijn verstrekt en zich in het dossier bevinden, doch dat de thans voorhanden zijnde processtukken geen enkel uitsluitsel bieden over de grond waarop het onderzoek zich naar dat perceel heeft uitgestrekt, dan wel de wijze waarop de hypotheekstukken zijn verkregen. Bij deze stand is de rechtbank niet in staat om de rechtmatigheid van deze verkregen gegevens te toetsen. De enkele mededeling van de officier van justitie dat hypotheekverstrekkers geen gegevens verstrekken zonder een vordering ex art. 126nd Sv. en dat aannemelijk is dat de gegevens van bedrijf 2 net zoals hiervoor bij de bedrijf 3 (feit 2) als rechtmatige bijvangst dienen te gelden, volstaat niet. Een en ander heeft tot gevolg dat alle in het kader van feit 1 verkregen hypotheekgegevens zullen worden uitgesloten van het bewijs en dat verdachte, bij gebrek aan andere bewijsmiddelen, van dat feit zal worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF