HR zet toetsingskader uiteen in verlofprocedure ex art. 552p Sv, in het bijzonder m.b.t. geheimhoudersstukken

Hoge Raad 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1450

De Rechtbank Midden-Nederland, zitting houdend te Lelystad, heeft bij beschikking van 20 december 2013 het door de Officier van Justitie gevorderde verlof als bedoeld in art. 552p, tweede lid, Sv gedeeltelijk verleend. De Rechtbank heeft de Officier van Justitie voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering ex art. 552p, tweede lid, Sv. In dezelfde beschikking heeft de Rechtbank het namens klagers (klager 1 en klaagster 2), ex art. 552a, eerste lid, Sv ingediende klaagschrift ongegrond verklaard.

Tegen deze beschikking heeft het openbaar ministerie op 23 december 2013 onbeperkt cassatieberoep ingesteld. Op 12 maart 2014 heeft het openbaar ministerie – blijkens de “akte intrekken rechtsmiddel” van die datum - het cassatieberoep partieel ingetrokken, in die zin dat het cassatieberoep zich thans enkel nog richt tegen de gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in zijn vordering ex art. 552p, tweede lid, Sv. Namens klagers is op 12 juni 2014 – onbeperkt - cassatieberoep ingesteld, zo blijkt uit de twee daartoe strekkende akten rechtsmiddel.

Namens het openbaar ministerie heeft mr. H.H.J. Knol, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland en bij het Functioneel Parket, een schriftuur houdende een middel van cassatie ingediend. Namens klagers hebben mr. J.M. Sjöcrona en Th.J. Kelder, advocaten te Den Haag, een schriftuur houdende tegenspraak van het door het openbaar ministerie voorgestelde cassatiemiddel ingediend. Tevens hebben zij namens klagers bij separate cassatieschriftuur drie cassatiemiddelen voorgesteld.

Het dictum van de bestreden beschikking luidt:

"De beslissing

a. op de vordering ex art. 552p van het Wetboek van Strafvordering:

- verleent verlof tot afgifte van de hierna genoemde stukken van overtuiging aan de verzoekende Zweedse autoriteiten:

1. de door klagers geselecteerde digitale bestanden, zoals in de aanloop naar de zitting van 4 december 2013 in geprinte vorm overgelegd aan de rechtbank;

2. de in de bijlage bij de pleitnota van klagers als voor afgifte geschikt aangemerkte fysieke stukken;

- stelt hierbij het voorbehoud dat bij afgifte van voormelde stukken aan de Zweedse autoriteiten wordt bedongen dat de stukken worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt;

- verklaart de officier van justitie in zijn vordering niet ontvankelijk voor het overige;

b. op het klaagschrift als bedoeld in art. 522a van het Wetboek van Strafvordering:

- verklaart het klaagschrift ten aanzien van beide onderdelen ongegrond."

Beoordeling van het door de Officier van Justitie voorgestelde middel

Het middel komt op tegen de partiële niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in zijn vordering tot het verlenen van verlof als bedoeld in art. 552p Sv.

De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Als uitgangspunt heeft te gelden dat, nu het verzoek is gedaan door een daartoe bevoegde autoriteit en is gegrond op een verdrag - hier het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken - aan dat verzoek ingevolge art. 552k, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven.

De rechtbank stelt voorts vast dat zich geen dwingende weigeringsgrond als bedoeld in art. 552l van het Wetboek van Strafvordering voordoet, die zich verzet tegen inwilliging van het verzoek. Evenmin is sprake van een politiek delict waarvoor machtiging is vereist als bedoeld in art. 552m van het Wetboek van Strafvordering. De Minister van Veiligheid en Justitie heeft op 14 maart 2013 machtiging verleend als bedoeld in art. 552m, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Ten slotte doen zich geen verdragsrechtelijke weigeringsgronden voor.

Uit art. 552o, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volgt dat aan een buitenlands verzoek tot inbeslagneming slechts kan worden voldaan als het feit in verband waarmee de rechtshulp is gevraagd, ware het in Nederland begaan, tot inbeslagneming had kunnen leiden en aanleiding had kunnen geven tot uitlevering aan de verzoekende staat. Uit het rechtshulpverzoek blijkt dat van toepassing is paragraaf 10 van de Wet belastingfraude obstructie van belastingcontrole, welke handelingen in Nederland strafbaar zijn gesteld in art. 69, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Beide artikelen beogen hetzelfde rechtsbelang te beschermen. Daarmee is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarstelling.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een min of meer nauwkeurige vaststelling van de mate waarin de op verzoek van buitenlandse justitiële autoriteiten inbeslaggenomen stukken daadwerkelijk dienstig kunnen zijn voor de waarheidsvinding in het in de verzoekende staat gevoerde onderzoek, in een procedure als de onderhavige niet op haar plaats is. Een meer dan oppervlakkig onderzoek naar de inhoudelijke bewijswaarde van de op grond van het rechtshulpverzoek inbeslaggenomen stukken, met het oog op de feiten die in de verzoekende staat strafrechtelijk worden onderzocht, zou zich niet verdragen met het doel van het verdrag en de wettelijke voorschriften, welk doel erin is gelegen in zo ruim mogelijke mate gevolg te geven aan verzoeken om internationale rechtshulp.

De rechtbank merkt op dat zij slechts de beschikking heeft gekregen over een zeer klein gedeelte van de in beslag genomen stukken. Dit maakt het verrichten van zelfs oppervlakkig onderzoek onmogelijk. Voor dat onderzoek is in het onderhavige geval aanleiding, nu de verdediging overtuigend, en niet weersproken door de officier van justitie, heeft gesteld dat zich onder de inbeslaggenomen stukken 4.971 e-mails aan of van geheimhouders bevinden en zij voorts aannemelijk heeft gemaakt dat er een reële mogelijkheid bestaat dat zich onder de in beslag genomen stukken bedrijfsgeheimen van klaagster 2 bevinden, die geen enkele relatie hebben tot het strafbare feit waarop het rechtshulpverzoek is gericht.

De rechtbank beziet een en ander in het licht van de zeer grote hoeveelheid in beslag genomen stukken, waaronder 181.307 e-mails, en de stellingname van de officier van justitie dat van de kant van het OM geen selectie daarop mag worden verwacht. Dat reeds tijdens de doorzoeking een voldoende nauwkeurige selectie heeft plaatsgevonden acht de rechtbank mede gelet op de aangetroffen geheimhoudersstukken niet aannemelijk geworden. Ook is niet gebleken dat degenen die van de kant van klaagster 2 of klager 1 - al dan niet op afstand - bij die doorzoeking aanwezig waren toestemming hebben gegeven tot het in beslag nemen van - onder meer - die geheimhoudersstukken, noch dat zij daartoe bevoegd en gezien hun functie in staat waren.

Bij deze stand van zaken kan slechts verlof worden verleend voor de door klagers als voor afgifte geschikt aangemerkte stukken en dient de officier van justitie in zijn vordering voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard. Nu de rechtbank hiermee uitvoering geeft aan de uitdrukkelijke wens van de verdediging dat deze stukken zo spoedig mogelijk aan de Zweedse autoriteiten ter beschikking worden gesteld, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het niet-ontvankelijkheidsverweer in verband met de vertaling van het rechtshulpverzoek, noch aan de in de pleitnota genoemde subsidiaire verzoeken. Dat zelfde geldt voor de door de verdediging bepleite thematische beperking en beperking in periode, in verband met de bewoordingen en de strekking van het rechtshulpverzoek.

Het klaagschrift zal ongegrond worden verklaard voor wat betreft de geheimhoudersstukken. Nu de verdediging deze stukken niet specifiek heeft aangeduid en deze niet bekend zijn aan de rechtbank is de rechtbank niet in staat een - uitvoerbaar - bevel tot teruggave van concrete stukken te geven.

Nu klagers inmiddels hebben kunnen kennisnemen van het rechtshulpverzoek en onderzoek hebben kunnen verrichten in het beslagen materiaal zal ook het tweede onderdeel van het klaagschrift ongegrond worden verklaard."

Volgens art. 552p Sv worden in de daar bedoelde gevallen de daar vermelde stukken en gegevensdragers ter beschikking van de officier van justitie gesteld onderscheidenlijk aan buitenlandse autoriteiten afgegeven voor zover de rechtbank daartoe verlof heeft verleend. Een daartoe strekkende vordering van de officier van justitie is niet vereist. Reeds daarom is - nog afgezien van het hierna te vermelden toetsingskader - in een procedure als de onderhavige geen plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn vordering.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat, indien een rechtshulpverzoek is gegrond op een verdrag - zoals hier het geval is - op grond van art. 552k, eerste lid, Sv aan dat verzoek zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven. Deze bepaling dient aldus te worden verstaan dat slechts van inwilliging van het verzoek kan worden afgezien indien zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag onderscheidenlijk de wet, in het bijzonder art. 552l Sv, dan wel indien door de inwilliging van het rechtshulpverzoek wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht (vgl. HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002: ZD2927, NJ 2002/580). Kennelijk heeft de Rechtbank geoordeeld dat inwilliging van het rechtshulpverzoek voor zover dat betrekking heeft op inbeslaggenomen "e-mails aan of van geheimhouders" - door haar "geheimhoudersstukken" genoemd - in strijd zou zijn met fundamentele beginselen van Nederlandse strafprocesrecht, en dat daaraan niet afdoet dat deze e-mails niet onder een verschoningsgerechtigde doch onder de klagers dan wel een van hen zijn inbeslaggenomen. Dit oordeel wordt in cassatie terecht niet bestreden. (Vgl. HR 19 november 1985, NJ 1986/533)

Tot het oordeel dat een rechtshulpverzoek om voormelde reden niet vatbaar is voor inwilliging, zal de rechter slechts kunnen komen indien hij naar aanleiding van een daartoe ingesteld onderzoek heeft vastgesteld dat het daadwerkelijk gaat om stukken die onder een verschoningsrecht vallen. Indien de rechter - bijvoorbeeld in verband met de aard of de omvang van de inbeslaggenomen gegevens - niet in staat is zelf dat onderzoek te verrichten, zal hij het daarheen dienen te leiden dat het onderzoek wordt verricht door zodanige functionaris en op zodanige wijze dat is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat bij de door haar geschetste "stand van zaken", waaronder de omstandigheid dat zij slechts de beschikking heeft gekregen over een zeer klein gedeelte van de inbeslaggenomen stukken hetgeen het verrichten van zelfs oppervlakkig onderzoek onmogelijk maakte, slechts verlof tot afgifte kon worden verleend voor de door klagers als daartoe geschikt aangemerkte stukken en dat de Officier van Justitie voor het overige in zijn vordering niet-ontvankelijk diende te worden verklaard. Nu de Rechtbank niet ervan heeft blijk gegeven bij haar oordeel te hebben betrokken dat en waarom een (nader) onderzoek als hiervoor onder bedoeld niet mogelijk was, is dat oordeel behalve onjuist ook niet begrijpelijk. Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld.

Beoordeling van het eerste namens de klagers voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF