HR wijst overzichtsarrest getuigen in het strafproces

Hoge Raad 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496

De verdachte heeft op 10 augustus 2010 hoger beroep ingesteld. Op 20 augustus 2010 heeft de raadsman van de verdachte op de voet van art. 410, derde lid, Sv bij appelschriftuur een zestal getuigen opgegeven. In een op 8 september 2010 bij de Rechtbank Amsterdam ingekomen brief heeft de raadsman vervolgens verzocht de in het middel genoemde personen toe te voegen aan de reeds opgegeven getuigen.

Blijkens de bij het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 december 2011 gevoegde pleitnotities heeft de raadsman van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:

"Daarnaast acht ik het horen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in het belang van de verdediging. Zoals u in de aanvulling van het appelschriftuur heeft kunnen lezen hebben beide heren kort na het incident met [verdachte] gesproken en kunnen zij verklaren over de indruk die het verliezen van de spiegel bij [verdachte] had achtergelaten en wat hij hier over tegen hen heeft gezegd. Naar de mening van de verdediging is de belangrijkste vraag die u uiteindelijk zal moeten beantwoorden of [verdachte] wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij bij een ongeval betrokken was waarbij schade of letsel aan een ander was toegebracht. De verklaringen van [verdachte] aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (twee buitenstaanders) kunnen mijns inziens aantonen of [verdachte] er ook maar enig idee van had dat hij letsel had veroorzaakt. Om die reden acht ik het dan ook in het belang van de verdediging om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] vragen te kunnen stellen."

Blijkens voormeld proces-verbaal heeft het Hof het verzoek tot het horen van betrokkene 1 en betrokkene 2 als getuigen afgewezen op de grond dat: "het verhoor van bedoelde getuigen naar het oordeel van het hof niet noodzakelijk is voor enige op de voet van de artikelen 348 en 350 juncto art. 415 Sv te nemen beslissing."

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 december 2012 is aldaar het op de terechtzitting van 19 december 2011 geschorste onderzoek opnieuw aangevangen wegens de gewijzigde samenstelling van het Hof. Uit laatstgenoemd proces-verbaal blijkt niet dat op die terechtzitting van 19 december 2012 door of namens de verdachte is verzocht om de in het middel genoemde personen op te roepen als getuigen, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit achterwege is gebleven.

De in het middel bedoelde afwijzende beslissing van het Hof is een beslissing op de voet van de art. 328 en 331, eerste lid, Sv in verbinding met art. 315 Sv, welke bepalingen ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn. Op die beslissing heeft art. 322, vierde lid, Sv geen betrekking (vgl. rov. 2.65). Gelet daarop moet het middel buiten behandeling blijven.

Middel

Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot het horen van betrokkene 1 en betrokkene 2 als getuigen.

Beoordeling Hoge Raad

Overzichtsarrest

Alvorens uitspraak te doen in deze concrete zaak, geeft de Hoge Raad 'voorgaande beschouwingen over het oproepen & horen van getuigen ter terechtzitting' van bijna 20 pagina's ten aanzien van de volgende (sub)- onderwerpen:

  • Inleiding (rov. 2.1-2.2)
  • Toepasselijke wettelijke bepalingen (rov. 2.3)
  • Aan te leggen maatstaven
  • Verdedigingsbelang (rov. 2.4-2.7)
  • Noodzakelijkheidscriterium (rov. 2.8-2.9)
  • Procedure in eerste aanleg
  • Eerste terechtzitting (rov. 2.10)
  • Meebrengen van getuigen naar de terechtzitting (rov. 2.11-2.12)
  • Verzoek tot oproeping van getuigen gedaan vóór de terechtzitting (rov. 2.13-2.21)
  • Verzoek tot oproeping van getuigen gedaan op de terechtzitting (rov. 2.22-2.24)
  • Terechtzitting na schorsing van het onderzoek (rov. 2.25-2.30)
  • Pro forma-zitting en regiezitting (rov. 2.31-2.35)
  • Procedure in hoger beroep
  • Eerste terechtzitting (rov. 2.36)
  • Meebrengen van getuigen naar de terechtzitting (rov. 2.37)
  • Verzoek tot oproeping van getuigen gedaan vóór de terechtzitting (rov. 2.38)
  • Opgave bij appelschriftuur (rov. 2.39-2.48)
  • Opgave niet bij appelschriftuur (rov. 2.49-2.60)
  • Verzoek tot oproeping van getuigen gedaan op de terechtzitting (rov. 2.61)
  • Terechtzitting na schorsing van het onderzoek (rov. 2.62-2.67)
  • Pro forma-zitting en regiezitting (rov. 2.68)
  • Procedure in hoger beroep na terug- of verwijzing van de zaak door de Hoge Raad (rov. 2.69-2.72)
  • Toetsing in cassatie (rov. 2.73-2.77)
  • Slotopmerking (rov. 2.78)

Klik hier voor deze beschouwingen.

Onderhavige zaak

De in het middel bedoelde afwijzende beslissing van het Hof is een beslissing op de voet van de art. 328 en 331, eerste lid, Sv in verbinding met art. 315 Sv, welke bepalingen ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn. Op die beslissing heeft art. 322, vierde lid, Sv geen betrekking (vgl. rov. 2.65). Gelet daarop moet het middel buiten behandeling blijven.

Opmerking verdient dat – anders dan in het middel wordt betoogd – de op 8 september 2010 bij de Rechtbank ingekomen brief met het verzoek tot oproeping van getuigen niet kan worden aangemerkt als een appelschriftuur houdende de opgave van getuigen als bedoeld in art. 410, derde lid, Sv en evenmin als een opgave van getuigen aan de Advocaat-Generaal als bedoeld in art. 414, tweede lid, in verbinding met art. 263 Sv. Op het in die brief vervatte verzoek behoefde dus niet te worden beslist, noch door de Advocaat-Generaal noch door het Hof (vgl. rov. 2.41).

Lees hier de volledige uitspraak.

Zie ook de volgende uitspraken:

Print Friendly and PDF