HR: oordeel Rb dat het op de auto gelegde beslag disproportioneel is omdat hij ook wordt getroffen door de ten laste van de vennootschap onder firma gelegde beslagen, is niet zonder meer begrijpelijk

Hoge Raad 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2074

Tegen de klager loopt een strafrechtelijk onderzoek op verdenking van onder meer Opiumwetdelicten en witwassen van een schip, genaamd [B]. Voorts is de klager medevennoot van de V.O.F. [A] (een visserijbedrijf), waartegen de verdenking bestaat dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie. Onder de vennootschap is ex art. 94a Sv beslag gelegd op onder meer twee viskotters, te weten [C] en [D], die volgens de verdediging een waarde vertegenwoordigen van € 3.400.000,- resp. € 2.455.000,-. Op 14 januari 2014 is onder de klager een personenauto, BMW X5 met kenteken [AA-00-BB], inbeslaggenomen. Deze (conservatoire) inbeslagneming ex art. 94a Sv heeft plaatsgevonden ten behoeve van verhaal van een aan de klager op te leggen ontnemingsmaatregel. Op 14 februari 2014 is namens de klager een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv ingediend strekkende tot teruggave aan hem van de inbeslaggenomen auto.

De rechtbank heeft het  klaagschrift gegrond verklaard en hiertoe als volgt overwogen: 

Bij de beoordeling van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv gericht tegen een conservatoir beslag ex artikel 94a Sv dient de rechter te onderzoeken:
1) of de inbeslagneming rechtmatig is (artikel 103 Sv),
2) of het beslag voldoet aan de in artikel 94a Sv gestelde vereisten en
3) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
Een dergelijk onderzoek in raadkamer draagt een summier karakter (o.a. HR 28 september 2010, LJN BL2823).
Het door de Hoge Raad voorgeschreven toetsingskader van conservatoir beslag vergt niet een onderzoek naar de proportionaliteit en subsidiariteit. De Hoge Raad heeft op 15 januari 2008, JOW 2008, 27 echter geoordeeld dat de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de rechter in de motivering van zijn beslissing ervan blijk dient te geven een onderzoek naar de proportionaliteit te hebben verricht. Hetzelfde kan gezegd worden over de subsidiariteit.
Vast is komen te staan, dat bedoelde personenauto op 14 januari 2014 op rechtmatige wijze onder klager in beslag is genomen en dat het beslag nog voortduurt. Naar het oordeel van de rechtbank doet zich thans niet de hiervoor onder 3. bedoelde situatie voor.
Uit een door de raadsvrouw ter zitting overgelegde brief d.d. 27 mei 2014, afkomstig van officier van justitie A.J. van Dooren van het Landelijk Parket, blijkt (onder meer) dat klager wordt verdacht van het witwassen van het schip [B]. Daarnaast is V.O.F. [A], waar klager medevennoot van is, aangemerkt als verdachte van het deelnemen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht.
Verder blijkt uit voornoemde brief van het Landelijk Parket dat er onder V.O.F. [A] conservatoir beslag ex artikel 94a Wetboek van Strafvordering is gelegd op twee viskotters, te weten [C] en [D]. De door de verdediging (met bijlagen) onderbouwde waarde van dit beslag, te weten € 3.400.000 respectievelijk € 2.455.000, is door de officier van justitie niet betwist.
De rechtbank is op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting dan ook met de raadsvrouw van oordeel dat, gezien de hoogte van het beslag dat op de aan de V.O.F. [A] toebehorende kotters is gelegd, van welke vennootschap klager medevennoot is en door welk beslag hij derhalve ook privé wordt getroffen, het beslag op onderhavige personenauto disproportioneel is.
Op grond van het vorenstaande dient derhalve met inachtneming van de betrekkelijke wetsartikelen te worden beslist als volgt.
5. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het klaagschrift gegrond, heft op het daarop gelegde beslag en gelast de teruggave aan klager van
- personenauto, BMW X5, kenteken [AA-00-BB]."

Middel

Het middel is gericht tegen de gegrondverklaring van het klaagschrift. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel van de Rechtbank dat het beslag op de personenauto disproportioneel is.

De rechtbank heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen personenauto vastgesteld dat er sprake is van een conservatoir beslag ex art. 94a Sv en bepaald dat die inbeslagneming rechtmatig is geschied. Vervolgens heeft zij bij de beoordeling van het klaagschrift betrokken dat jegens de klager de verdenking is gerezen ter zake van onder meer witwassen en dat het in casu niet hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Aldus heeft de rechtbank de juiste maatstaf gehanteerd. Over de rechtmatigheid van het beslag en de door de rechtbank gehanteerde maatstaf wordt ook niet geklaagd in het middel.

Beoordeling Hoge Raad

Het oordeel van de Rechtbank dat het op de auto van de klager gelegde beslag disproportioneel is omdat hij ook wordt getroffen door de ten laste van de vennootschap onder firma gelegde beslagen, is niet zonder meer begrijpelijk.

Het middel slaagt.


Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly and PDF