HR: oordeel Hof dat betrokkene wvv heeft verkregen dmv andere feiten dan waarvan hij is veroordeeld, is niet begrijpelijk, nu niet blijkt dat door de betrokkene een strafbaar feit is begaan

Hoge Raad 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2066

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 27 februari 2015 aan de betrokkene de verplichting opgelegd om een bedrag van € 52.250,00 aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het Hof heeft in de bestreden uitspraak het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 52.250,- en de betrokkene de verplichting opgelegd dit bedrag aan de Staat te betalen.

Deze schatting is gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal van verhoor van 10 februari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven als verklaring van verdachte/veroordeelde:
De Audi Q7 is bij [A] in Amstelveen gekocht voor € 46.650 door [betrokkene 1], de dochter van mijn vrouw. Ik was bij de aankoop van de auto. De auto werd op haar naam gezet maar het was de auto voor mij en mijn vrouw. Ik heb de garage gevraagd de auto op naam te zetten van [betrokkene 1]. Ik ben 2 à 3 keer bij de garage geweest en heb zelf contant betaald.
De auto is verscheept van Amsterdam naar Ghana in een container waarin ik ook andere goederen had zitten. Het verschepen kostte ongeveer € 1.600. De container heeft in Ghana ongeveer € 4.000 à 5.000 aan invoerrechten gekost.
2. Een geschrift, zijnde een factuur van [A] BV d.d. 16 november 2007 welke als bijlage 1 aan deze aanvulling is gehecht.
3. Het overzichtsproces-verbaal van 12 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:
Bankrekeningen ABN AMRO:
Door het onderzoeksteam zijn de rekeningnummers van [betrokkene 2] en [betrokkene] en overige administratieve kenmerken gevorderd bij de ABN AMRO bank. Het antwoord van de ABN AMRO Bank hield in dat [betrokkene 2] en [betrokkene] gezamenlijk beschikken over twee rekeningen: een betaalrekening en een spaarrekening.
Uit de bankafschriften bleek dat er geen opname van een groot geldbedrag op of rond de datum van de aankoop van de Audi Q7 is geweest.
Belastingdienst
Door het onderzoeksteam zijn inkomensgegevens van [betrokkene 2] en [betrokkene] gevorderd bij de belastingdienst. Het antwoord van de belastingdienst hield het volgende in:
Inkomen per jaar van [betrokkene]
Jaartal Netto inkomen
2006 € 7.512
2007 € 21.774
2008 € 16.815
2009 € 15.026
2010 € 11.886
Inkomen per jaar van [betrokkene 2]
Jaartal Netto inkomen
2006 € 17.170
2007 € 17.019
2008 € 17.575
2009 € 17.062
2010 € 12.754
Bewijsoverwegingen:
Nu de veroordeelde heeft verklaard dat de container waarin de auto is verscheept naar Ghana ook andere goederen bevatte en dat de invoerrechten € 4.000 à € 5.000 bedroegen schat het hof de aan de auto toe te rekenen invoerrechten in het voordeel van de veroordeelde op € 4.000 Euro.
De veroordeelde heeft een auto aangeschaft met een waarde van € 46.650 en kosten gemaakt voor de verscheping daarvan naar Ghana, terwijl het gelet op zijn financiële positie niet verklaarbaar is hoe hij over de gelden daarvoor kon beschikken."

Het Hof heeft in de bestreden uitspraak - voor zover in cassatie van belang - voorts het volgende overwogen:

"De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 20 december 2012 - kort gezegd - veroordeeld ter zake van medeplegen van, witwassen. 
Voorts heeft de rechtbank Haarlem bij vonnis van 20 december 2012 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 26.125,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2015 veroordeeld ter zake van - kort gezegd - medeplegen van witwassen.
(...)
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 52.250,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat nu de medeverdachte, [betrokkene 2], is vrijgesproken voor witwassen er geen mogelijkheid meer bestaat tot een verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof is van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van € 52.250,00, heeft verkregen door middel van (een) andere feit(en) dan ter zake waarvan hij bij arrest van 27 februari 2015 is veroordeeld.
Het hof komt tot de volgende berekening:
Aankoop auto € 46.650,00
Verscheping auto € 1.600,00
Invoerrechten Ghana € 4.000,00
Totaal € 52.250,00."

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen "door middel van (een) andere feit(en) dan ter zake waarvan hij bij arrest van 27 februari 2015 is veroordeeld".

Beoordeling Hoge Raad

Het oordeel van het Hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van (een) andere feit(en) dan ter zake waarvan hij bij arrest van 27 februari 2015 is veroordeeld, is niet begrijpelijk, nu uit de bewijsvoering van het Hof niet blijkt van enige aanwijzing dat door de betrokkene een strafbaar feit is begaan, afgezien van het feit ter zake waarvan de betrokkene bij arrest van het Hof van 27 februari 2015 is veroordeeld (kort gezegd: het medeplegen van witwassen), welk feit volgens het Hof uitdrukkelijk niet aan de opgelegde betalingsverplichting ten grondslag ligt.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly and PDF