HR maakt n.a.v. CAG opmerkingen over toepassing art. 80a RO: belang bij cassatiemiddel bij afwijzing getuigenverzoek

Hoge Raad 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2468 Verdachte is bij arrest van 22 december 2013 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens feit 4 mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd en feit  5 deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf. 

Middel

Het middel bevat de klacht dat het hof het verzoek om getuige te horen, heeft afgewezen op gronden die die beslissing niet kunnen dragen, althans dat die beslissing onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.

Aan de betreffende afwijzing door het hof is het volgende voorafgegaan:

Op 17 maart 2011 is namens verdachte tijdig een appelschriftuur ingediend waarin wordt verzocht in verband met feit 5, deelname aan een criminele organisatie, onder anderen “getuige” als getuige te horen.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 1 november 2011 blijkt dat ten aanzien van de getuige door het hof de volgende beslissing is genomen:

“Het verzoek tot het horen van getuige dient te worden beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium. Nu de verdediging de getuige echter nog niet heeft kunnen ondervragen zal het hof het criterium invullen als ware het een toets aan het verdedigingsbelang. Gelet op de tenlastelegging acht het hof een verdedigingsbelang aanwezig. Het hof acht het daarom noodzakelijk dat deze getuige ten overstaan van de rechter-commissaris zal worden gehoord.”

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 21 juni 2012 blijkt dat voor het horen van getuige geen rechtshulpverzoek is uitgegaan omdat de rechter-commissaris van oordeel is dat een dergelijk verzoek door het Turkse Ministerie van Justitie zal worden afgewezen en het doen uitgaan daarvan daarom zinloos zal zijn. De verdediging persisteert bij het verzoek en op de zitting van 22 juni 2012 beslist het hof als volgt:

“Het verzoek tot het horen van de getuige wordt toegewezen, nu de thans verrichte inspanningen vooralsnog niet de conclusie rechtvaardigen dat het onaannemelijk is dat de betreffende getuige binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord. Met dat doel zal het hof de zaak verwijzen naar de rechter-commissaris te Almelo zodat alsnog een rechtshulpverzoek in de richting van Turkije kan uitgaan met het primaire verzoek om getuige in aanwezigheid van de raadsman door de rechter-commissaris te kunnen horen en met het subsidiaire verzoek dat verhoor door de rechter-commissaris te laten plaats vinden waarbij door de raadsman schriftelijk ingediende vragen kunnen worden gesteld.”

Het rechtshulpverzoek levert niet het gewenste resultaat op en naar aanleiding daarvan oordeelt het hof op 20 september 2013 dat pogingen getuige als getuige te horen zullen worden gestaakt nu niet te verwachten valt dat deze binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 september 2013 houdt hierover het volgende in:

“De voorzitter stelt voorts vast dat met betrekking tot het toegewezen verzoek tot het horen van getuige, waarin op 6 december 2012 door het Ministerie van Justitie en Veiligheid een rechtshulpverzoek naar Turkije is verzonden, door de griffier informatie is opgevraagd bij de met de uitvoering van het rechtshulpverzoek belaste medewerker van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, betrokkene 18 . De daarbij ontvangen informatie is door de griffier neergelegd in een telefoonnotitie en als bijlage bij een e-mail van 16 september 2013 aan de raadsman verzonden.

De voorzitter geeft het woord aan de raadsman met betrekking tot de vraag of er nog langer moet worden gewacht op het rechtshulpverzoek waaraan op dit moment door Turkije nog geen effectieve uitvoering heeft gegeven.

De raadsman brengt in dat verband - zakelijk weergegeven - het navolgende naar voren:

Ik persisteer bij het verzoek tot het horen van getuige. Het belang van deze getuige is met de toewijzende beslissing van uw hof gegeven. De vraag is nu of de inspanningen kunnen worden gestopt. Gelet op de telefoonnotitie kan nu niet vastgesteld worden dat getuige niet binnen redelijke termijn kan worden gehoord. Er wordt een reële optie genoemden die moeten we proberen. Het staat niet vast dat dat niet binnen een redelijke termijn kan. En bij gebrek aan die informatie kan niet tot afwijzing van het verzoek over worden gegaan. Verder sluit ik me aan bij hetgeen mijn collega in de zaak tegen een medeverdachte van cliënt vandaag naar voren heeft gebracht. Hij geeft terecht aan dat het mogelijk is om getuige te horen en dat de door betrokkene 18 in voornoemde telefoonnotitie geschetste mogelijkheid door hem ook een keer is bewandeld. Toen schoot het horen niet op via de formele weg, hetgeen van doen had met persoonlijke karakters en is voor een praktische oplossing gekozen en wel de oplossing zoals die thans door betrokkene 18 wordt geschetst. Destijds is dat snel gelukt. Ik verzoek het hof dan ook om die mogelijkheid al dan niet via betrokkene 18 ook daadwerkelijk te benutten.

De advocaten-generaal reageren daarop - zakelijk weergegeven - als volgt:

Wij zien weliswaar het belang van het horen van getuige als getuige, maar ons standpunt is dat het niet aannemelijk is dat getuige binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord.

Op 6 december 2012 is het rechtshulpverzoek naar Turkije verzonden. Daarna zijn inspanningen verricht en dan kan het nu zo zijn dat er een e-mail van het Ministerie komt met een alternatief, maar we moeten ook kijken naar de termijn. We zijn 10 maanden bezig en de goede wil van betrokkene 18 is onvoldoende om te zeggen dat langer wachten aanvaardbaar is. Bovendien gaat het hier om een informele optie waarmee niet de weg bewandeld wordt zoals het hoort te gaan. Daarbij komt dat de getuige in oktober 2011 reeds is toegewezen. Het was toen zo dat de zaak niet de hoogste prioriteit heeft gekregen bij de rechter-commissaris en dat is de reden dat uw hof in juni 2012 de uitvoering naar zich toe heeft getrokken. U heeft toen gezegd dat de getuige op de lijst blijft staan en u er mee aan de gang zou gaan. Dat is ook gebeurd. Alles is gedaan. De ene informele mogelijkheid die nu nog bestaat maakt het niet aanvaardbaar om te wachten.

Naar onze mening moet thans dan ook worden afgezien van het horen van getuige als getuige omdat niet aannemelijk is dat hij binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord. Dat geldt zowel voor het fysiek horen als voor een eventueel verhoor per telefoon.

De voorzitter stelt naar aanleiding van hetgeen de advocaten-generaal naar voren hebben gebracht vast dat in de zomer van 2012 het rechtshulpverzoek door de rechter-commissaris na aandringen van het hof is verzonden naar de daarmee belaste Nederlandse autoriteiten (IRC en Ministerie van Justitie en Veiligheid) en dat dit rechtshulpverzoek eveneens na aandringen van het hof op 6 december 2012 naar Turkije is verzonden.

De raadsman brengt ten slotte - zakelijk weergegeven - het volgende naar voren:

lk heb moeite met de term 'informele weg'. Het toetsingscriterium is of kan worden vastgesteld dat de getuige niet binnen aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Het Wetboek van Strafvordering geeft vervolgens geen aanknopingspunten over de wijze waarop dat moet gebeuren. Het EHRM is wat concreter en spreek over een effectieve en adequate ondervragingsmogelijkheid. In deze zaak heeft een magistraat gezegd dat het kan en dan moeten we daarop vertrouwen. Dat het informeel is, doet er vervolgens niet, toe.

Het hof trekt zich daarop terug voor beraad. Na gehouden beraad deelt de voorzitter naar aanleiding van het verzoek tot het horen van getuige het volgende mede:

Het hof wijst het verzoek tot het horen van getuige af. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het hof reeds op 1 november 2011 het verzoek tot het horen van deze getuige heeft toegewezen. Nadat de rechter-commissaris heeft geoordeeld dat het doen uitgaan van een rechtshulpverzoek zinloos moet worden geacht, heeft het hof op 22 juni 2012, anders oordelend dan de rechter-commissaris, de zaak nogmaals verwezen naar de rechter-commissaris zodat alsnog een rechtshulpverzoek in de richting van Turkije uit zou kunnen gaan. Dat is op 6 december 2012 gebeurd. Tot op heden is daaraan geen enkele uitvoering gegeven. Met het oog op de zitting van heden is op 12 september 2013 door de griffier telefonisch contact opgenomen met het ministerie van Justitie en Veiligheid en daarbij is door betrokkene 18, die als juridisch beleidsmedewerker verbonden aan de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, omtrent de rechtshulpverzoeken strekkende tot het horen van (onder meer) de getuige het volgende medegedeeld:

Tot op heden hebben de vele inspanningen met behulp van de Nederlandse liaison officier van justitie niet tot enige inspanningen van de kant van de Turkse autoriteiten tot het (doen) oproepen van de getuigen getuige en betrokkene 2 geleid. Buiten deze reguliere weg bestaat er wellicht de mogelijkheid om de getuigen te horen na bemiddeling door een Turkse liaison magistraat. Over de kans van slagen van dat traject kan geen zekerheid worden geboden. Ten aanzien daarvan kan slechts worden gezegd dat deze magistraat heeft aangeven dat hij een eventuele mogelijkheid voor hem en daarmee de Turkse autoriteiten ziet wanneer nogmaals wordt duidelijk gemaakt wat er in de megazaak Sneep 2 dient te gebeuren.

Het hof stelt vast dat vanaf 6 december 2012 tot heden getracht is om de betreffende getuigen in Turkije te horen en dat ondanks de vele inspanningen van de kant van het ministerie daar vooralsnog geen enkele uitvoering aan is gegeven door de Turkse autoriteiten. Gelet op de afhankelijkheid terzake van de Turkse autoriteiten, de autonomie die een verzocht land toekomt bij de wijze waarop en het tempo waarin uitvoering wordt gegeven aan rechtshulpverzoeken, de door het ministerie tot op heden verrichte inspanningen en het tijdsbestek waarin thans reeds is getracht de Turkse autoriteiten tot uitvoering van het verzoek te bewegen, acht het hof het niet aannemelijk dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord. De enkele eventuele mogelijkheid om het via een andere weg daartoe te leiden maakt dat naar het oordeel van het hof gelet op het voorgaande niet anders.”

Beoordeling Hoge Raad

Het arrest HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 houdt omtrent de beoordeling van cassatieklachten over de maatstaf die is toegepast bij een beslissing inzake een verzoek tot het oproepen en horen van getuigen onder meer het volgende in:

"2.75. In dit verband moet worden gewezen op het in 2012 in werking getreden art. 80a RO en de betekenis van deze bepaling voor de reikwijdte van het onderzoek in cassatie ten aanzien van de hiervoor bedoelde beslissingen. In art. 80a RO is bepaald dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard op de grond dat de betrokkene klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Daarom mag in gevallen waarin dat belang niet evident is, van de verdediging in redelijkheid worden verlangd dat zij in de cassatieschriftuur een toelichting geeft met betrekking tot het belang bij haar klacht. Zo (...) levert de enkele omstandigheid dat het hof bij de afwijzing van een verzoek niet de juiste maatstaf heeft genoemd, niet zonder meer voldoende - rechtens te respecteren - belang op bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak.

2.76. Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het in cassatie uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals (i) het stadium waarin het verzoek is gedaan, in die zin dat het verzoek eerder had kunnen en redelijkerwijs ook had moeten worden gedaan, en (ii) de omstandigheid dat de bij de appelschriftuur opgegeven getuigen - al dan niet op vordering van de advocaat-generaal - (alsnog) op de voet van art. 411a of art. 420 Sv zijn gehoord door een rechter-commissaris of een raadsheer-commissaris, waardoor in de regel het belang zal zijn ontvallen aan de oproeping van die getuigen ter terechtzitting."

Naar aanleiding van het gestelde in de conclusie van de Advocaat-Generaal verdient opmerking dat bij de beantwoording van de vraag naar het - rechtens te respecteren - belang bij een cassatiemiddel over de afwijzing van een verzoek een getuige op te roepen dan wel te horen, onder omstandigheden ook een rol kan spelen dat onvoldoende duidelijk is welke betekenis het horen van de getuige kan hebben voor het beantwoorden van een van de vragen van art. 348 en 350 Sv. Van de verdediging kan in dergelijke gevallen worden gevergd dat zij - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie - in de cassatieschriftuur toelicht welk belang zij heeft bij een klacht over de afwijzing van het verzoek die getuige te horen.

Conclusie

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF