HR: Inleveren grievenformulier bij balie van de rechtbank is uiting wens verdachte hoger beroep in te stellen en dus rechtsgeldig

Hoge Raad 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2533

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 19 januari 2015 waarbij de verdachte ter zake van mishandeling is veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, met beslissingen omtrent de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van - kort gezegd - een schadevergoedingsmaatregel als in het vonnis omschreven. De bestreden uitspraak houdt dienaangaande het volgende in:

"Ingevolge artikel 408, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering moet het hoger beroep binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien verdachte op de terechtzitting is verschenen.

De politierechter heeft op 19 januari 2015 op tegenspraak vonnis gewezen. Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting waren zowel verdachte als zijn raadsman mr. D. Vong verschenen. Blijkens de akte instellen hoger beroep is eerst op 12 maart 2015 appel ingesteld middels een door mr. Vong verstrekte bijzondere volmacht.

Blijkens het vorenstaande is het hoger beroep niet tijdig ingesteld. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof deze vraag negatief dient te beantwoorden. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat enkel is gebleken dat verdachte bij de centrale balie een grievenformulier heeft ingeleverd, hetgeen door de baliemedewerkster juist is afgehandeld. Niet is gebleken dat verdachte uitdrukkelijk heeft medegedeeld dat hij hoger beroep wilde instellen. Bovendien was verdachte voorzien van juridische bijstand. Op grond van deze feiten en omstandigheden is de advocaat-generaal van mening dat niet is gebleken dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is, zodat verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de medewerkster van de centrale balie toen verdachte op 28 januari 2015 het grievenformulier inleverde en mededeelde dat hij appel wilde instellen, heeft nagelaten om een akte hoger beroep op te maken. Volgens de raadsman is de termijnoverschrijding derhalve het gevolg van een fout van een ambtenaar die verdachte niet mag worden tegengeworpen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op 28 januari 2015 en derhalve tijdig naar de centrale balie van de rechtbank is gegaan om hoger beroep in te stellen tegen voormeld vonnis. Bij de medewerkster van de centrale balie heeft hij vervolgens een digitaal ingevuld grievenformulier ingeleverd en heeft hierbij gezegd dat hij hoger beroep wilde instellen.

De raadsman heeft over de gang van zaken medegedeeld dat hij het grievenformulier digitaal in samenspraak met verdachte heeft opgesteld, hij dit formulier naar verdachte heeft gemaild en heeft gezegd dat verdachte bij de rechtbank appel moest instellen en het grievenformulier moest overhandigen.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het feit dat zich op het grievenformulier een stempel bevindt met de datum 28 januari 2015 en dat op het grievenformulier bij datum hoger beroep digitaal is ingevuld 27-jan-2015.

Blijkens de memo van 31 maart 2015 met als onderwerp "hoger beroep akte" van [betrokkene 1] , medewerkster centrale balie is verdachte op 28 januari 2015 bij de balie Roermond gekomen om een grievenformulier in te leveren. De medewerkers van de balie zijn ervan uitgegaan dat verdachte al hoger beroep had ingesteld, omdat je een grievenformulier pas ontvangt als het hoger beroep is ingesteld.

Het hof stelt voorop dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat hij niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.

Het hof is van oordeel dat de medewerkster van de centrale balie ervan uit mocht gaan dat reeds op een eerder moment appel was ingesteld tegen het betreffende vonnis. Immers, verdachte was reeds in het bezit van een grievenformulier dat in de regel pas verstrekt wordt op het moment dat appel is ingesteld. Bovendien was op dit grievenformulier digitaal ingevuld dat reeds een dag eerder, te weten 27 januari 2015, appel was ingesteld. Bij het ontbreken van enige aanwijzing anders dan slechts de verklaring van verdachte, acht het hof het niet aannemelijk dat verdachte uitdrukkelijk heeft medegedeeld dat hij appel wilde instellen. Daarnaast heeft het hof bij de beoordeling of de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar is, in ogenschouw genomen dat verdachte voorzien was van juridische bijstand. Naar ꞌs hofs oordeel had de raadsman, toen hij de keuze maakte dat verdachte zelf appel diende in te stellen, verdachte goed dienen te instrueren hoe hij dit zou moeten doen en nadien moeten controleren of verdachte juist appel had ingesteld door bijvoorbeeld bij hem te informeren of hij in het bezit was van een appelakte.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat er geen sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn, zodat verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep."

Voormeld grievenformulier houdt onder meer het volgende in:

"Datum hoger beroep: 27-jan-2015

Om één of meer van de volgende redenen kom ik in hoger beroep:

(...)

Ik ben wel bij de zitting aanwezig geweest, maar ik wil een nieuwe behandeling, om de volgende reden(en):

Ten onrechte ben ik veroordeeld voor mishandeling, terwijl er enkel verklaringen zijn van s.o. en zijn vrouw. Politierechter heeft de verklaringen, welke geen neutrale verklaringen zijn, als voldoende wettig en overtuigend bewijs aangenomen, terwijl er geen enkel spoor is van letsel bij s.o. Ik word telkens gepest door s.o. en deze aangifte van s.o. en zijn vriendin is er één van. Zij hebben mij geslagen en doen vervolgens aangifte tegen mij waarbij zij in de meerderheid zijn. Ondanks dat er geen letsel is geconstateerd door de getuige of de verbalisant(tijdens de aangifte), vond de rechter dat op basis van enkel de verklaring van s.o. en zijn vrouw, zonder bijkomende omstandigheden of enig geconstateerde letsel ten onrechte dat de verklaringen niet in twijfel konden worden getrokken. Ik wens nogmaals de feiten en omstandigheden voor te leggen, daar ik van mening ben dat onvoldoende kritisch is gekeken naar voornoemde verklaringen.

(...)

Ik ben onschuldig

(...)

lk heb bezwaren tegen de (hoogte van) de opgelegde straf:

Toelichting

500 euro is gelet op de geschetste omstandigheden een te fors bedrag. Tevens ben ik het niet eens met de opgelegde vordering benadeelde partij. (...)

Andere opmerkingen:

Gelet op de summiere verklaringen in het dossier van slechts twee personen, namelijk s.o. en zijn vrouw, die geenszins neutrale verklaringen zijn, alsmede het feit dat niet is gekeken naar het volledig ontbreken van enige constateringen van de getuigen en de verbalisant van enig letsel, ondanks dat wordt gezegd dat er sprake was van een bloeding en zwelling, wens ik een nieuwe behandeling

Datum 27-jan-2015."

Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte het grievenformulier op 28 januari 2015 - dus binnen de appeltermijn - persoonlijk aan de centrale balie van de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, heeft afgegeven. Mede gelet op de inhoud van het grievenformulier, die bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een uiting van verdachtes wens om tegen het in deze zaak gewezen vonnis hoger beroep in te stellen, is niet begrijpelijk het kennelijke oordeel van het Hof dat de verdachte daarmee toen niet - hetzij op de voet van art. 449, eerste lid, Sv, hetzij op de voet van art. 450, eerste lid aanhef en onder b, Sv - op rechtsgeldige wijze hoger beroep heeft ingesteld of doen instellen.

Het middel is gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF