HR herhaalt vereisten opgave van getuigen bij appelschriftuur

Hoge Raad 12 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2324

 

 

De verdachte heeft op 7 juli 2014 hoger beroep ingesteld. Op 21 juli 2014 heeft de raadsman van de verdachte op de voet van art. 410, derde lid, Sv bij appelschriftuur 61 getuigen opgegeven. Deze appelschriftuur houdt, voor zover hier van belang, in:

"De advocaat was niet in de gelegenheid het dossier te bestuderen alvorens deze schriftuur in te dienen. De schriftuur is voornamelijk gebaseerd op het vonnis van de rechtbank.

Verdachte ontkent betrokkenheid en wenst dat met het oog hierop in hoger beroep als getuigen worden gehoord: (...)"

In een op 13 november 2014 bij het Gerechtshof ingekomen brief heeft de raadsman zijn verzoek tot het horen van 61 personen als getuigen teruggebracht tot een achttal personen, onder wie de, eveneens bij appelschriftuur opgegeven, in het middel genoemde personen. Namens de voorzitter van de strafkamer van het Gerechtshof is bij e-mailbericht van 24 november 2014 aan de raadsman medegedeeld dat de voorzitter, na advies van de advocaat-generaal, vooralsnog geen aanleiding ziet om in de verzoeken te bewilligen.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2015 en de daaraan gehechte pleitnotities heeft de raadsman zijn verzoeken zoals gedaan bij brief van 13 november 2014 ter terechtzitting herhaald. Het Hof heeft de verzoeken om medeverdachte 3, Betrokkene 1, Betrokkene 2, Betrokkene 3, Betrokkene 4 en Betrokkene 5 als getuigen te horen afgewezen en onder meer het volgende overwogen:

"De voorzitter deelt als beslissing van het hof het navolgende mede. Het appel is op 7 juli 2014 ingesteld. Op 21 juli 2014 heeft de raadsman het dossier ontvangen en een brief aan het hof gestuurd met daarin het - niet verder gemotiveerde - verzoek om 63 (De Hoge Raad begrijpt: 61) getuigen te horen. De door de raadsman ingediende appelschriftuur is niet een appelschriftuur zoals bedoeld in artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 juli 2014, gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:HR: 2014:1496, aangegeven dat een schriftuur waarin zonder motivering getuigen worden opgegeven niet kan worden aangemerkt als een opgave van getuigen als bedoeld in artikel 414, tweede lid, in verbinden met artikel 263 van het Wetboek van Strafvordering waarop een beslissing dient te worden genomen. De raadsman heeft zijn verzoeken ter terechtzitting herhaald. Nu het hof enkel op de verzoeken ter terechtzitting behoeft te responderen is het hof van oordeel dat het de verzoeken aan de hand van het noodzaakscriterium moeten worden beoordeeld."

Blijkens voormeld proces-verbaal heeft de raadsman de verzoeken tot het horen van deze getuigen bij pleidooi herhaald. Het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in:

"Verzoek tot het horen van getuigen

(...)

Nu aan dit verzoek geen aanvullende motivering ten grondslag is gelegd en het hof niet tot andere inzichten is gekomen, wijst het hof het verzoek - op de gronden zoals ter terechtzitting naar voren gebracht - andermaal af."
 

Middel

Het middel klaagt dat het Hof bij de afwijzing van de verzoeken tot het horen van medeverdachte 3, Betrokkene 1, Betrokkene 2, Betrokkene 3, Betrokkene 4 en Betrokkene 5 als getuigen de verkeerde maatstaf heeft gehanteerd. Daartoe wordt aangevoerd dat deze getuigen waren opgegeven in de door de raadsman van de verdachte op de voet van art. 410 Sv ingediende appelschriftuur.
 

Beoordeling Hoge Raad

Aan de opgave van getuigen bij appelschriftuur worden zekere eisen gesteld. Ten eerste kan een niet tijdig ingediende appelschriftuur niet worden aangemerkt als een schriftuur houdende de opgave van getuigen in de zin van art. 410, derde lid, Sv. Voorts kan niet worden volstaan met de opgave van bijvoorbeeld "alle personen, onder wie degenen doch niet uitsluitend, wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs heeft gebruikt". Op verzoeken die in een dergelijke schriftuur zijn vervat, behoeft dus niet te worden beslist. Zo een schriftuur kan ook niet worden aangemerkt als een opgave van getuigen als bedoeld in art. 414, tweede lid, in verbinding met art. 263 Sv waaromtrent door de advocaat-generaal een beslissing dient te worden genomen (vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, rov. 2.41).

De beoordeling van de vraag of een appelschriftuur een opgave van getuigen in de zin van art. 410, derde lid, Sv bevat, is aan het Hof. Zijn oordeel dienaangaande kan als steunend op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg der gedingstukken, in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst (vgl. HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012: BW9036).

Het hof heeft de in de appelschriftuur opgenomen, niet onderbouwde opsomming van 61 personen niet aangemerkt als een opgave van getuigen als bedoeld in art. 410, derde lid, Sv. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, nu iedere motivering ontbreekt waarom het verhoor van deze personen is aangewezen. De omstandigheid dat de raadsman bij brief van 13 november 2014 heeft verzocht acht personen te (doen) horen, onder wie de zes in het middel genoemde personen die ook in voornoemde opsomming van 61 personen waren begrepen, maakt dat niet anders.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF