HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. het toerekenen van het gehele wederrechtelijk verkregen bedrag aan betrokkene in geval in de hoofdzaak het “medeplegen” bewezen is verklaard

Hoge Raad 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2918

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 1 juni 2015 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 25.345,86 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
 

Middel

Het middel bevat onder meer de klacht dat het oordeel van het Hof dat het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan de betrokkene moet worden toegerekend zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.
 

Beoordeling Hoge Raad

De omstandigheid dat uit de kwalificatie van hetgeen ten laste van de betrokkene in de hoofdzaak is bewezen verklaard volgt dat de betrokkene het feit niet alleen heeft gepleegd, behoeft niet eraan in de weg te staan dat de rechter het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan de betrokkene toerekent.

Onder omstandigheden is evenwel een nadere motivering vereist om een zodanige toerekening begrijpelijk te doen zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval indien, in verband met hetgeen door of namens de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, voldoende aanknopingspunten bestaan voor de aannemelijkheid dat het voordeel over meer daders moet worden verdeeld. (Vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:961, NJ 2013/517.)

Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat het uit de bewezenverklaarde feiten wederrechtelijk verkregen voordeel van € 25.345,86 in zijn geheel aan de betrokkene moet worden toegerekend. In aanmerking genomen hetgeen door de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly and PDF