HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. het begrip gezamenlijke huishouding

Hoge Raad 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2194

Bij arrest van 24 december 2014 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 10 april 2014, waarbij de verdachte is veroordeeld wegens opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, bevestigd behoudens de aan de verdachte opgelegde straf en de motivering daarvan. 

Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Eerste middel

Het eerste middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte een gezamenlijke huishouding in de zin van art. 3 Wet Werk en Bijstand (hierna: WWB) heeft gehad met zijn moeder, nu niet zou zijn voldaan aan het criterium van wederzijdse verzorging.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling of sprake is van een gezamenlijke huishouding moet worden vooropgesteld dat niet iedere incidenteel verleende zorg de slotsom rechtvaardigt dat sprake is van (wederzijdse) zorg in de zin van artikel 3, derde lid, WWB (oud). De voorwaarde in deze wetsbepaling dat de betrokkenen zorg voor elkaar dragen, strekt ertoe de toepassing van de regeling te beperken tot die gevallen waarin op grond van de omstandigheden van het geval redelijkerwijs mag worden aangenomen dat tussen hen een wederzijdse verzorgingsrelatie bestaat (vgl. HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6828, BNB 2013/124).

Blijkens de hiervoor gebezigde bewijsvoering heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte en zijn moeder betrokkene 1 vanaf - in ieder geval - 1 januari 2004 hun hoofdverblijf hadden in de woning van betrokkene 1 te plaats 1, dat betrokkene 1 de kosten betaalde voor huur, gas, licht en boodschappen, dat betrokkene 1 voor de verdachte kookte en waste, dat de verdachte betrokkene 1 daarvoor geen vergoeding betaalde, dat de verdachte en betrokkene 1 sinds twaalf jaar samen op vakantie gaan, welke vakantie zowel door de verdachte als door de ex-man van betrokkene 1 werd betaald, en dat de verdachte vlonders heeft betaald voor in de voor- en achtertuin van betrokkene 1. Op grond hiervan heeft het Hof kunnen oordelen dat tussen de verdachte en betrokkene 1 sprake was van de voor een gezamenlijke huishouding in de zin van art. 3, derde lid, WWB vereiste wederzijdse zorg. De bewezenverklaring is toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Conclusie AG: contrair

Ingevolge het derde lid is dus sprake van een “gezamenlijke huishouding” indien (i) twee personen (ii) hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en (iii) zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De aanduiding hoofdverblijf bedoelt tot uitdrukking te brengen dat niet de formele, maar de feitelijke woonsituatie doorslaggevend is.3 De drie aangehaalde basiselementen van het begrip gezamenlijke huishouding dienen te worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria.4 Daarbij kunnen in aanmerking worden genomen de woonsituatie, de mate van financiële verstrengeling en de feitelijke omstandigheid dat men elkaar over en weer verzorgt. Financiële verstrengeling van twee personen kan een indicatie zijn voor wederzijdse zorgzaamheid, maar kan ook zijn gelegen in het op andere wijze in elkaars verzorging voorzien of in het in natura verrichten van prestaties, aldus mijn ambtgenoot Machielse in zijn conclusie voorafgaand aan HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6743.5 In zijn arrest van 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6828 overwoog de belastingkamer van de Hoge Raad met betrekking tot “gezamenlijke huishouding” in de zin van art. 3 WWB onder meer:

“3.4.1. De klachten betogen verder dat de Centrale Raad is uitgegaan van een te ruime uitleg van het hiervoor in 3.2 bedoelde begrip gezamenlijke huishouding. Daartoe wordt aangevoerd dat de wetgever met dit begrip heeft beoogd aan te sluiten bij jurisprudentie van de Hoge Raad over artikel 1:160 BW, op grond waarvan dat artikel restrictief moet worden uitgelegd en slechts kan worden toegepast indien tussen de samenwonenden een affectieve relatie bestaat van duurzame aard (zie HR 13 juli 2001, nr. R00/120HR, LJN ZC3603, NJ 2001/586). Volgens de klachten moet aansluiting worden gezocht bij een als "normaal" te beschouwen huwelijk. 3.4.2. De klachten falen ook in zoverre. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de aansluiting bij rechtspraak van de Hoge Raad over artikel 1:160 BW betrekking op de voorwaarde van wederzijdse zorg, die een van de elementen vormt van het begrip gezamenlijke huishouding in (thans) artikel 3, lid 3, van de WWB (Kamerstukken II 1985/86, 19 259, nr. 10 en 13). In deze aansluiting ligt niet besloten dat ook de eisen worden overgenomen die in de rechtspraak over artikel 1:160 BW worden gesteld aan de aard van de relatie tussen de samenwonenden waaruit die wederzijdse zorg voortvloeit. Uit de parlementaire geschiedenis van de wet waarbij het criterium van wederzijdse zorg in de Algemene bijstandswet is opgenomen volgt daarentegen dat de wetgever subjectieve elementen, zoals de aard van de relatie, niet relevant heeft geacht voor de beoordeling of sprake is van een gezamenlijke huishouding (Handelingen II 1985/86, 66, p. 4367). Deze opvatting is ook tot uitdrukking gekomen bij de parlementaire behandeling van de opvolgende overeenkomstige bepaling in de Algemene bijstandswet (zie Kamerstukken II 1991/92, 22 545, nr. 3 en Kamerstukken I 1994/95, 22 545, nr. 75c). Van dit standpunt is de wetgever bij de invoering van de WWB niet teruggekomen. Ook voor de toepassing van artikel 3, lid 3, van de WWB moet daarom worden aangenomen dat de subjectieve aard van de relatie tussen de samenwonenden niet van belang is (vgl. ook HR 27 september 1991, rek. nr. 7922, NJ 1991/787, overweging 3.4). 3.5.1. De klachten betogen voorts dat de in artikel 3, lid 3, van de WWB vervatte eis van wederzijdse zorg een relatie van duurzame aard tussen de samenwonenden veronderstelt. 3.5.2. Bij de beoordeling hiervan moet worden vooropgesteld dat niet iedere incidenteel verleende zorg de slotsom rechtvaardigt dat sprake is van (wederzijdse) zorg in de zin van artikel 3, lid 3, van de WWB. De voorwaarde in deze wetsbepaling dat de betrokkenen zorg voor elkaar dragen, strekt ertoe de toepassing van de regeling te beperken tot die gevallen waarin op grond van de omstandigheden van het geval redelijkerwijs mag worden aangenomen dat tussen hen een wederzijdse verzorgingsrelatie bestaat (vgl. overweging 3.5 van het hiervoor in 3.4.2 vermelde arrest van 27 september 1991). 3.5.3. De bestreden uitspraak geeft er geen blijk van dat de Centrale Raad dit zou hebben miskend en zich zou hebben gebaseerd op zorg van een onvoldoende omvang of frequentie. De klachten falen daarom ook in zoverre. 3.6.1. In onderdeel 4.6 van de bestreden uitspraak is een reeks feiten en omstandigheden vermeld op grond waarvan de Centrale Raad tot de slotsom is gekomen dat in de te beoordelen periode sprake was van wederzijdse zorg tussen belanghebbende en A.6 De klachten betogen tot slot dat die feiten en omstandigheden, waaronder het samen ondernemen van activiteiten, onvoldoende zijn om daarop die slotsom te kunnen baseren. 3.6.2. De klachten falen ook in zoverre. Ook indien buiten beschouwing wordt gelaten dat belanghebbende en A samen activiteiten ondernamen zoals samen op vakantie gaan (zie HR 15 juni 2012, nr. 11/03810, LJN BV1924, BNB 2012/224), geeft het hiervoor in 3.6.1 bedoelde oordeel van de Centrale Raad - gelet op de overige in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak in aanmerking genomen omstandigheden - geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip wederzijdse zorg.”

Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de verdachte in de tenlastegelegde periode voornamelijk bij zijn moeder woonde, zijn moeder de kosten voor de huur betaalde en voor de verdachte kookte en waste, waarvoor de verdachte geen vergoeding betaalde, dat de verdachte samen met zijn moeder op vakantie ging, dat deze vakantie(s) door haar ex-man en de verdachte werd(en) betaald, en dat de verdachte vlonders voor de tuin van zijn moeder had betaald.

Kan nu uit deze objectieve omstandigheden worden afgeleid dat tussen de verdachte en zijn moeder een wederzijdse verzorgingsrelatie in de zin van art. 3 WWB bestond, die gelet op de bewezenverklaring bovendien duurzaam moet zijn geweest? Uit de bewijsmiddelen blijkt, denk ik, nog wel in voldoende mate dat de moeder (onafgebroken) in de verzorging van de verdachte voorzag. Maar nu hier de eis van wederkerigheid geldt, doet zich ook de vraag voor of op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen de verdachte in redelijkheid gezegd kan worden zorg te hebben gedragen voor zijn moeder door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Het lijkt mij dat het bewijsmateriaal niet toereikend is om deze vraag in bevestigende zin te beantwoorden. Door het hof is in dit verband slechts vastgesteld dat de verdachte de gezamenlijke vakantie betaalde en dat hij een keer de genoemde vlonders heeft betaald. Dat is naar mijn inzicht te weinig voor het bewijs van een gezamenlijke huishouding zoals is bewezenverklaard. Dat betekent dat de bewezenverklaring mijns inziens niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

Het middel slaagt mitsdien.

 

Tweede middel 

Het middel behelst de klacht dat het bewezenverklaarde opzettelijk voordeel trekken niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Beoordeling Hoge Raad

Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte "opzettelijk" voordeel heeft getrokken uit door misdrijf verkregen geld. Uit de bewijsmiddelen kan wel worden afgeleid dat de verdachte en [betrokkene 1] in de tenlastegelegde periode feitelijk samenwoonden, dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] een uitkering genoot en dat de verdachte gebruik maakte van geld van [betrokkene 1] dat werd besteed aan het huishouden. Uit de bewijsmiddelen volgt niet zonder meer dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] niet had voldaan aan de inlichtingenverplichtingen uit hoofde van de Wet werk en bijstand en dus ten onrechte de volledige uitkering ontving, en zonder nadere motivering evenmin dat hij "opzettelijk" voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld. De bewezenverklaring is dus in zoverre niet naar de eis van de wet met redenen omkleed.

Het middel is terecht voorgesteld.

Conclusie AG

De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op de delictsomschrijving van art. 416, tweede lid, Sr en houden, voor zover hier van belang, in dat de verdachte “opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld”. Het opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, bestrijkt hier alle daarop volgende delictsbestanddelen7, en moet derhalve gericht zijn geweest op zowel ‘het voordeel trekken’ als op het feit dat ‘het geld door misdrijf is verkregen’. Uit de bewijsvoering zal dus onder meer moeten kunnen worden afgeleid dat de verdachte wist, althans bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat zijn moeder haar uitkering ontving door middel van bijstandsfraude (en dat hij daaruit in het verband van een gezamenlijke huishouding voordeel trok).

Het hof heeft uit de inhoud van de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte in de tenlastegelegde periode hoofdzakelijk bij zijn moeder woonde, dat hij aldus gebruik maakte van de voorzieningen op dat adres en daar ook maaltijden nuttigde en dat die voorzieningen, de maaltijden en de huur althans voor een belangrijk deel werden bekostigd door zijn moeder terwijl hij wist dat zij een bijstandsuitkering ontving. Het in de bewijsoverwegingen genoemde samenstel van omstandigheden dat de verdachte met zijn moeder en [betrokkene 2] een gezamenlijke huishouding voerde, de verdachte en [betrokkene 2] ieder een eigen inkomen hadden en de moeder niettemin een uitkering ontving, leidt echter niet zonder meer tot de slotsom dat de verdachte “wist dat het niet anders kon zijn” dan dat zijn moeder niet aan de gemeente had meegedeeld dat de verdachte en [betrokkene 2] bij haar woonden en dat de verdachte aldus wist dat zijn moeder ten onrechte een uitkering van de gemeente ontving, en derhalve zeker niet tot het oordeel dat de verdachte wist a. dat zijn moeder niet had voldaan aan de inlichtingenverplichting uit hoofde van de WWB, b. dat zij aldus onjuiste gegevens had verstrekt en op grond daarvan ten onrechte een uitkering genoot voor een alleenstaande en c. dat derhalve sprake was van geld dat door misdrijf was verkregen.8 Daaromtrent houdt de bewijsconstructie van het hof niets in. De door het hof overgenomen overweging van de rechtbank dat het van algemene bekendheid is dat een alleenstaande die een uitkering ontvangt geen recht meer op die (volledige) uitkering heeft indien deze een gezamenlijke huishouding voert, maakt dat niet anders.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly and PDF