HR herhaalt m.b.t. het beperkte aantal gevallen waarin hoofdelijke aansprakelijkheid a.b.i. art. 36e lid 7 Sr zich zal voordoen

Hoge Raad 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:783

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 12 augustus 2016 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 25.379,20 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot hoofdelijke betaling van dat bedrag aan de staat.

Het Hof heeft de verplichting tot betaling van het desbetreffende bedrag aan de Staat aan de betrokkene hoofdelijk opgelegd en daartoe in het bestreden arrest het volgende overwogen:

"Hoofdelijkheid en de verplichting tot betaling aan de Staat

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat veroordeelde en haar (toenmalige) echtgenoot, [betrokkene 1], de hennepkwekerij opzettelijk samen aanwezig hebben gehad en dat die kwekerij door [betrokkene 1] werd onderhouden. Het hof kan zich in de kern vinden in de overweging van de rechtbank dat hoofdelijke verdeling een redelijke beslissing is. Immers, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, zouden de inkomsten uit de kwekerij gebruikt worden om de gezamenlijke schulden af te lossen, dan wel een bepaalde gezamenlijke levenstandaard hoog te houden en waren [betrokkene 1] en [betrokkene] destijds in gemeenschap van goederen getrouwd. Het hof gaat er derhalve, met de rechtbank en de advocaat-generaal, van uit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel door beiden is genoten."

Middel

Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof om aan de betrokkene ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel de hoofdelijke verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van € 25.379,20.

Beoordeling Hoge Raad

Omtrent de hoofdelijke aansprakelijkheid in de zin van art. 36e, zevende lid, Sr heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 7 april 2015 (bijvoorbeeld: ECLI:NL:HR:2015:878, NJ 2015/326) onder meer overwogen:

"2.4.8. Hoofdelijke aansprakelijkheid in de zin van art. 36e, zevende lid, Sr zal zich naar verwachting slechts in een beperkt aantal gevallen voordoen. In de situatie dat twee of meer daders van een strafbaar feit daarvan hebben geprofiteerd, maar aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet een indicatie valt te ontlenen voor de verdeling van de opbrengst, ligt pondspondsgewijze toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel meer voor de hand. Indien het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zodanige duidelijke aanwijzingen bevatten dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat twee of meer, bekende of onbekende, daders gezamenlijk de beschikking hebben of gedurende zekere tijd de beschikking hebben gehad over de gehele opbrengst van het strafbare feit en de betrokkene als een van die daders geen, dat vermoeden ontzenuwende, gegevens daaromtrent verschaft - op welke situatie de wetgever bij invoering van het huidige art. 36e, zevende lid, Sr in het bijzonder oog had - kan de rechter het wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel voor het geheel aan de betrokkene toerekenen. In zo een geval mag worden aangenomen dat het opleggen van de ontnemingsmaatregel voor het gemeenschappelijke geheel van het verkregen voordeel het met de ontnemingsmaatregel beoogde reparatoire karakter heeft."

Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor weergegeven, is het oordeel van het Hof dat de betalingsverplichting hoofdelijk moet worden opgelegd niet toereikend gemotiveerd. Aan de - door het Hof niet met een verwijzing naar concrete aan het dossier ontleende aanwijzingen gemotiveerde - omstandigheden dat de inkomsten uit de hennepkwekerij gebruikt "[zouden] worden om de gezamenlijke schulden af te lossen dan wel een bepaalde gezamenlijke levensstandaard hoog te houden" en dat de betrokkene destijds met haar echtgenoot in gemeenschap van goederen was getrouwd, kan niet zonder meer worden ontleend dat de betrokkene daadwerkelijk gezamenlijk met haar toenmalige echtgenoot de beschikking heeft gehad over de gehele opbrengst van de hennepkwekerij en dat op die grond het wederrechtelijk voordeel voor het geheel als gemeenschappelijk voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF