HR herhaalt: conservatoir beslag ex art. 94a Sv staat er niet aan in de weg dat een voorwerp verbeurd wordt verklaard

Hoge Raad 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:117

De verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en zes maanden wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod (feit 1) en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (feit 2) en gewoontewitwassen (feit 3). Voorts is de vordering tot verbeurdverklaring van een geldbedrag van € 2.127.117,70 afgewezen.

Namens de verdachte heeft mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld. Mr. H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het gerechtshof Den Haag, heeft eveneens één middel van cassatie voorgesteld.
 

Middel

Het middel van de AG klaagt dat het Hof ten onrechte de vordering tot verbeurdverklaring van een geldbedrag van € 2.127.117,70 heeft afgewezen.
 

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft als volgt overwogen en beslist:

"De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het gewoontewitwassen, dat in de periode van 1 januari 2010 tot en met 13 april 2011 heeft plaatsgevonden, betrekking heeft gehad op een totaal bedrag van € 2.127.117,70. Dit bedrag bestaat uit het onverklaarbaar vermogen dat per bank is ontvangen, uit onverklaarbaar bezit van contant geld en de contante uitgaven. De advocaat-generaal vordert dat dit totale bedrag van € 2.127.117,70 verbeurd dient te worden verklaard.
Het hof overweegt daaromtrent op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting als volgt.
Het hof is van oordeel dat voorwerpen waarop overeenkomstig het bepaalde in artikel 94a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering beslag is gelegd tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring als bedoeld in artikel 33 van het Wetboek van Strafrecht.
Vast staat dat onder de verdachte geen - zogenaamd strafvorderlijk - beslag op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering is gelegd maar wel een - zogenaamd conservatoir - beslag op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering is gelegd op de hiervoor genoemde € 2.127.117,70 en het hof zal de vordering tot verbeurdverklaring mitsdien afwijzen."

Voor verbeurdverklaring als bedoeld in art. 33a Sr is niet nodig dat op de voet van art. 94 Sv beslag is gelegd op het voorwerp waarvan de verbeurdverklaring wordt uitgesproken. Ingevolge art. 34 Sr zal in zo'n geval het voorwerp moeten worden uitgeleverd of de geschatte waarde daarvan moeten worden betaald. Voor uitlevering zal de verdachte, indien op hetzelfde voorwerp een ander dan het in art. 94 Sv vermelde beslag is gelegd, afhankelijk zijn van de medewerking van de beslaglegger. Een conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv staat derhalve niet eraan in de weg dat een voorwerp wordt verbeurd verklaard. Een andersluidende opvatting zou ook tot het onaanvaardbare resultaat leiden dat de strafrechter door een beslaglegger in zijn sanctiemogelijkheden wordt beperkt (vgl. HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3689, NJ 2016/62).

Het oordeel van het Hof zoals weergegeven onder 3.2, is derhalve onjuist.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.


Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF