HR: De uitspraak op een vordering tot ontneming van w.v.v. moet de bewijsmiddelen vermelden waaraan de schatting van het w.v.v. is ontleend met weergave van de inhoud daarvan

Hoge Raad 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2009

Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij uitspraak van 2 september 2004 de betrokkene ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 12.889,63.

Middel

Het middel klaagt dat de bestreden uitspraak niet de inhoud bevat van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich de bestreden uitspraak, hetwelk niet de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen bevat. Bij die stukken bevindt zich niet een aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv houdende de gebezigde bewijsmiddelen. Het Hof heeft aan de Hoge Raad bericht dat zo een aanvulling niet is opgemaakt.

Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 511g, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden. (Vgl. HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, NJ 2013/544.) De bestreden uitspraak voldoet niet aan dit vereiste en kan daarom niet in stand blijven.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.


Print Friendly and PDF ^