HR: De Rb heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk - nu de kennisneming van die processtukken klager is onthouden - aangenomen dat het onderzoeksbelang eraan in de weg stond dat de stukken van het sfo aan de raadkamer worden overgelegd

Hoge Raad 4 december 2012, LJN BY4985 Bij beschikking van 20 september 2011 heeft de Rechtbank te 's-Gravenhage het klaagschrift strekkende tot teruggave aan klager van een aantal onder hem in beslag genomen goederen, ongegrond verklaard.

Beoordeling van het derde middel

Het middel klaagt dat, aangezien aan de raadsman van de klager processtukken zijn onthouden en derhalve ook de Rechtbank niet over die stukken beschikte, de Rechtbank op ontoereikende gronden heeft beslist tot ongegrondverklaring van het klaagschrift.

In de bestreden beschikking heeft de Rechtbank het volgende overwogen: "De raadsman van klager heeft ter terechtzitting aangevoerd dat een beoordeling van de rechtmatigheid van de beslaglegging niet mogelijk is nu de processtukken worden onthouden. Wat daar verder ook van zij, in onderhavige procedure ligt uitsluitend ter beoordeling voor het klaagschrift tegen inbeslagname en voortduren van beslag. Over het al dan niet onthouden van processtukken kan in het kader van deze procedure geen oordeel worden gegeven."

HR: De Rechtbank heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk - nu de kennisneming van die processtukken de klager is onthouden - aangenomen dat het onderzoeksbelang eraan in de weg stond dat de stukken van het strafrechtelijk financieel onderzoek aan de raadkamer worden overgelegd.

Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat in een geval als het onderhavige, niettegenstaande de ongegrondverklaring van het door de klager op de voet van art. 32 Sv ingediende bezwaarschrift, door het Openbaar Ministerie de stukken van het strafrechtelijk financieel onderzoek aan deraadkamer moeten worden overgelegd als "op de zaak betrekking hebbende stukken" als bedoeld in art. 23, vierde lid, Sv. Die opvatting is onjuist.

Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen klagen over de motivering van de ongegrondverklaring van het klaagschrift door de Rechtbank. Daartoe is aangevoerd dat de Rechtbank in de motivering van haar beslissing niet ervan blijk heeft gegeven de juiste maatstaf te hebben aangelegd.

De Hoge Raad is van oordeel dat de middelen slagen en verwijst hierbij naar de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal:

"5. De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, in: "In raadkamer is vast komen te staan dat onder klager thans in beslag zijn genomen ex artikel 94 Sv de volgende goederen: - diverse papieren; - de boekhouding van een café;

In raadkamer is vast komen te staan dat onder klager thans in beslag zijn genomen ex artikel 94a Sv de volgende goederen: - een auto, merk Volkswagen, type Polo; - een horloge, merk Rolex; - een zakelijk recht van erfpacht van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats]; - twee woningen gelegen aan de [b-straat 1] en [2] te [plaats], - een woning met bedrijvigheid gelegen aan de [b-straat 1]/[c-straat 1] te [plaats]. (...) In raadkamer is vast komen te staan dat een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld tegen klager. Dit onderzoek loopt nog. In het kader van dit onderzoek zijn diverse goederen op grond van artikel 94 en 94a Sv in beslag genomen.

Nu er een strafrechtelijk financieelonderzoek is ingesteld tegen klager staat, gelet op het bepaalde in artikel 126, eerste lid Sv, vast dat er tegen klager thans een verdenking voorligt van een feit (i.e. witwassen) waarop een geldboete van de vijfde categorie staat. Ingevolge het bepaalde in artikel 126 Sv wordt een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld krachtens een met redenen omklede machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie. De vordering van de officier van justitie is eveneens met redenenomkleed en bij die vordering wordt een lijst van voorwerpen overgelegd die reeds op grond van artikel 94a, tweede, derde en vierde lid Sv. in beslag zijn genomen. De officier van justitie dient de rechter-commissaris periodiek te informeren over de voortgang van het onderzoek. De rechter-commissaris licht de rechtbank in indien hij dat nodig oordeelt met het oog op onnodige vertraging van het onderzoek. De bemoeienis van de rechter-commissaris vormt aldus een waarborg bij inbeslagname en gedurende het strafrechtelijk financieel onderzoek.

In het onderhavige geval duurt het strafrechtelijk financieel onderzoek nog voort. Bovengenoemde bemoeienis en bevoegdheden van de rechter-commissaris in aanmerking genomen acht de rechtbank vooralsnog geen grond aanwezig tot teruggave van enig onder klager ingevolge artikel 94 of 94a Sv. inbeslaggenomen goed. Bij haar overwegingen betrekt de rechtbank dat -zoals in raadkamer door de officier van justitie is aangevoerd en namens klager niet is bestreden- de rechter-commissaris na het leggen van het beslag reeds een aantal goederen heeft teruggegeven aan klager, omdat die goederen niet konden dienen totéén van de doelen genoemd in artikel 94 en 94a Sv.

Het beklag zal derhalve ongegrond verklaard worden."

6. In geval van een beklag tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert.

Bij de beoordeling van een beklag gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid dient de rechter te onderzoeken a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van een verdenking van of een veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

8. Voor wat betreft het conservatoire beslag heeft de Rechtbank verzuimd na te gaan of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van eengeldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

9. Met haar beschouwingen over de "bemoeienis en bevoegdheden van de Rechter-Commissaris" heeft de Rechtbank miskend dat de Rechtbank bij de beoordeling van een klaagschrift tegen inbeslagneming de hiervoor onder 6 genoemde maatstaven dient aan te leggen en zich niet kan verlaten op de beslissingen van de Rechter-Commissaris in het sfo, die immers niet betrekking hebben op beklag tegen inbeslagneming van voorwerpen in het kader van het sfo."

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Samenhangende zaak:

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF