HR: De afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuigen is in het licht van hetgeen is aangevoerd zonder nadere, doch ontbrekende motivering niet begrijpelijk

Hoge Raad 8 januari 2013, LJN BY5542 De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens

  1. Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en
  2. Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming

veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Middel

Het middel klaagt over de afwijzing van een ter terechtzitting in hoger beroep gedaan verzoek tot het horen van getuigen.

In aanvulling haar pleitnotities heeft de raadsvrouwe ter zitting van 9 juni 2011 verzocht, indien het hof het onder 1 tenlastegelegde bewezen verklaard mocht achten, betrokkene 1 en betrokkene 2 als getuigen te doen horen.

De pleitnotities houden in:

"Cliënt werd opgehaald door vrienden, ze zouden uitgaan. Cliënt zou, als we de medeverdachte betrokkene 2 moeten geloven, op een goed moment echter uit de auto zijn gestapt met een breekijzer. Cliënt ontkent uit de auto te zijn gestapt. Cliënt ontkent dat het jack dat in de auto was van hem is, zo verklaarde hij op de vorige zitting. Door de medeverdachte betrokkene 1 wordt gesproken over 'Appie'. Daarmee zou hij cliënt kunnen bedoelen, maar ook vele andere Marokkanen. Te meer nu hijzelf betrokkene 1 heet heeft hij wellicht belang dit te zeggen. De verdediging kan zich dan ook voorstellen dat hij 'Appie' wordt genoemd. 

Betrokkene 1 verklaart dat betrokkene 2 en Appie de hele tijd in de auto zijn blijven zitten. Hij verklaart dat de gereedschappen die zijn aangetroffen in de auto allemaal van hem zijn. Hij ontkent dat is ingebroken. Hij is de auto uit geweest om te plassen, zo verklaart hij. Betrokkene 1 verklaart dat betrokkene 2 liegt. De medeverdachten verklaren tegenstrijdig en hun verklaringen zijn daarmee onbetrouwbaar te achten. 

De foto's overigens bieden volgens de verdediging geen duidelijkheid hieromtrent; uit de prints is niet op te maken wat er is gebeurd dan wel wie op de beelden zijn te zien. Volgens de verdediging is in deze geen sprake van voldoende wettig en overtuigend bewijs jegens cliënt dat hij zou hebben getracht in te breken. Concluderend verzoek ik u cliënt voor dit feit vrij te spreken. 

Voorwaardelijk verzoek ik u, mocht u onverhoopt tot een bewezenverklaring komen voor dit feit, de 2 medeverdachten in eerste aanleg te horen teneinde hen nader te bevragen over hetgeen die avond heeft plaatsgevonden, te meer nu cliënt het feit heeft ontkend. Getuigen: betrokkene 1 en betrokkene 2." 

Het Hof heeft omtrent het onder 1 bewezenverklaarde het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde. Indien het hof dit feit evenwel bewezen verklaard mocht achten, heeft zij verzocht betrokkene 1 en betrokkene 2 als getuigen te doen horen. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht de fotoprints van de camerabeelden die deel uitmaken van het dossier, door het NFI te laten onderzoeken. 

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. 

Nadat door politiepersoneel van Cameratoezicht via camerabeelden was waargenomen dat een aantal mannen met een breekijzer een portiek was ingegaan aan de a-straat te Rotterdam, gingen verbalisanten ter plaatse. Van de meldkamer hoorden zij dat de mannen het portiek weer uit waren gekomen en dat zij in een donkerkleurige auto hadden plaatsgenomen. In een zwarte personenauto merk Audi A3, geparkeerd aan de a-straat ter hoogte van nummer 1, zaten betrokkene 1, betrokkene 2 en de verdachte. De verdachte hield een schroevendraaier tussen zijn benen geklemd; in de kofferbak werden twee breekijzers aangetroffen. Deze drie personen werden aangehouden. Bij de voordeur van de woning aan de a-straat 2 te Rotterdam werd verse braakschade aangetroffen. Op 5 december 2007 is van deze inbraak aangifte gedaan. 

Door de medeverdachten betrokkene 1 en betrokkene 2 is verklaard dat de beige/lichtkleurige trainingsjack die op de achterbank lag van de auto waarin zij en de verdachte zaten, toebehoort aan Appie (het hof begrijpt: de verdachte). Een verbalisant heeft op de camerabeelden het volgende waargenomen: een man gekleed in een lichtkleurig trainingsjack stond bij een portiek aan de a-straat en strekte zijn arm uit richting een deur. Een tweede man kwam dit portiek uit. Daarna liepen zij richting een donkerkleurige auto. Even later liepen zij beiden met iets langwerpigs in hun handen hetzelfde portiek in. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2011 vastgesteld dat de foto van de in de auto aangetroffen jas treffende gelijkenis vertoont met de jas die een verdachte draagt op de camerabeelden. 

Het hof acht op grond van deze voor de verdachte belastende verklaringen in combinatie met de hiervoor genoemde processen-verbaal met betrekking tot de camerabeelden en de aanhouding van de verdachte - in onderling verband en samenhang beschouwd en mede gezien in het licht van de overige bewijsmiddelen - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan een poging tot inbraak, zoals bewezenverklaard. 

Naar het oordeel van het hof is, gelet op het vorenstaande, de noodzaak tot het doen horen van de genoemde getuigen en nader onderzoek door het NFI naar de fotoprints niet gebleken. Nu deze verzoeken voorts onvoldoende onderbouwd zijn, worden deze reeds daarom afgewezen."

Beoordeling Hoge Raad

Deze afwijzing van het verzoek tot het horen van getuigen door het Hof is in het licht van hetgeen is aangevoerd zonder nadere, doch ontbrekende motivering niet begrijpelijk.

Het middel is gegrond.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en verwerpt het beroep voor het overige.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF