HR: Afwijzing getuigenverzoek aan de hand van het verdedigingsbelang ontoereikend gemotiveerd

Hoge Raad 21 mei 2013, LJN CA0473

Feiten

Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens het wederrechtelijk in het besloten erf vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen, veroordeeld tot een geldboete van € 100, subsidiair twee dagen hechtenis.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het verzoek tot het horen van betrokkene 1 als getuige heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen.

Beoordeling Hoge Raad

Het verzoek van de raadsman strekte ertoe betrokkene 1 als getuige te doen horen teneinde te controleren of haar verklaring overeenkomt met hetgeen de verbalisanten in het proces-verbaal van bevindingen hebben gerelateerd. 's Hofs motivering van de afwijzing van het verzoek houdt in de eerste plaats in dat uit het dossier geen enkele aanwijzing volgt dat hetgeen de verbalisanten hebben gerelateerd niet juist zou zijn. In de tweede plaats ziet het Hof ook anderszins geen reden om de door de raadsman gevraagde controle uit te oefenen en acht het de verdachte door het niet horen van betrokkene 1 als getuige niet in zijn verdedigingsbelang geschaad.

Aldus heeft het Hof de afwijzing van het verzoek niet naar behoren gemotiveerd. In het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd, is niet zonder meer begrijpelijk dat voldaan is aan de ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep toepasselijke maatstaf van art. 288, tweede lid, Sv te weten dat de verdachte door het achterwege blijven van het verhoor van de getuige redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad.

Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF