HR: Aan toekenning van een vergoeding kosten raadsman ex art. 591a Sv staat niet in de weg dat de rechtsbijstandskosten door een derde worden gedragen

Hoge Raad 4 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1428

De Hoge Raad doet uitspraak naar aanleiding van een vordering tot cassatie in het belang der wet. Deze heeft betrekking op een beschikking van het gerechtshof Amsterdam d.d. 7 juli 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2802, waarbij het hoger beroep van verzoeker tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam d.d. 25 november 2016, houdende afwijzing van het verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, ongegrond is verklaard.

De reden om deze vordering in te stellen is dat in de praktijk onduidelijkheid bestaat over de vraag of een verzoek tot vergoeding van de kosten van een raadsman voor toewijzing vatbaar is ook indien de verzoeker, de gewezen verdachte, die kosten niet zelf draagt maar deze worden gedragen door een derde, zoals zijn werkgever.

In de onderhavige beschikking beantwoordde het hof die vraag in navolging van de rechtbank ontkennend. Het hof overwoog daartoe:

“2 Procesverloop

De rechter in eerste aanleg heeft het verzoek afgewezen daar de werkgever van de appellant de kosten van rechtsbijstand draagt. De kosten van rechtsbijstand zijn niet ten laste van de appellant gekomen en het door de werkgever voldoen van die kosten kan niet als een voorschot worden beschouwd. Het bepaalde in artikel 591a Sv biedt geen ruimte voor de verzochte vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Derhalve zijn er geen gronden van billijkheid aanwezig om aan de appellant de verzochte vergoeding toe te kennen.

Het hoger beroep is ingesteld namens de appellant.

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld proces-verbaalnummer, van het onderhavige verzoekschrift en van de stukken met betrekking tot de behandeling van dit verzoek in eerste aanleg.

Het hof heeft op 23 juni 2017 de advocaat-generaal en de advocaat van de appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het hoger beroep in raadkamer gehoord. De appellant is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in persoon in raadkamer verschenen.

Standpunt appellant

De advocaat van de appellant heeft het hoger beroep in raadkamer aan de hand van haar pleitnota toegelicht en – kort gezegd – betoogd dat het gerechtshof Den Bosch bij arrest van 3 november 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:4602) heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat de kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 69a, eerste lid, Besluit Algemene Rechtspositie Politie (verder: BARP) ten laste zijn gebracht van de werkgever van de appellant en de appellant in zoverre zelf geen kosten heeft gemaakt, geen beletsel vormt om aan de appellant een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te kennen. Uit artikel 5, derde lid, Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie (verder: de Regeling) vloeit immers voort dat de appellant gehouden is om vergoeding van de kosten op grond van artikel 591/591a Sv te verzoeken en ervoor te zorgen dat bij toewijzing van het verzoek de uitgekeerde tegemoetkoming toekomt aan de werkgever. Voorts heeft de advocaat verwezen naar een aantal uitspraken van de rechtbank Amsterdam, gewezen na eerdergenoemde uitspraak van het gerechtshof Den Bosch, waarbij de gevraagde vergoedingen ook werden toegekend in gevallen waarin de politie-eenheid Amsterdam de kosten van rechtsbijstand had betaald. Tenslotte heeft de advocaat aangevoerd dat uit de bij artikel 591a Sv behorende wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de beperking dat alleen de door de appellant zelf geleden schade voor vergoeding in aanmerking komt, niet geldt voor de vergoeding van de kosten van een raadsman. Ook overigens zijn er voldoende gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van de verzochte vergoeding.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de appellant in het verzoek nu de appellant geen belang (meer) heeft bij behandeling van het verzoekschrift, omdat de kosten van rechtsbijstand niet ten laste van de appellant zijn gekomen en daadwerkelijk door de werkgever van de appellant zijn voldaan, wat, gelet op alle van toepassing zijnde bepalingen, niet als een voorschot kan worden aangemerkt, maar als een onvoorwaardelijke tegemoetkoming dient te worden aangemerkt. Subsidiair heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de beschikking waarvan beroep.

3 Beoordeling van het hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

Ontvankelijkheid appellant

Met betrekking tot het primaire standpunt van de advocaat-generaal dat de appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek, omdat hij geen belang (meer) heeft bij behandeling van het verzoekschrift overweegt het hof dat de appellant wel degelijk een belang bij behandeling van het verzoekschrift heeft, nu uit het bepaalde in artikel 5, derde lid, van de Regeling blijkt dat de ambtenaar in een strafrechtelijke procedure zorg draagt voor (het doen van) een verzoek tot vergoeding van kosten op grond van de artikelen 591 en 591a Sv en er bij toewijzing van dit verzoek zorg voor draagt dat deze vergoeding aan het bevoegd gezag toekomt.

Inhoudelijke beoordeling

De appellant, brigadier van politie, is naar aanleiding van een incident tijdens diensttijd op 11 juni 2013 als verdachte aangemerkt ter zake van zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende, dan wel doodslag, dan wel dood door schuld.

De strafzaak tegen de appellant werd bij brief van 15 mei 2014 van het arrondissementsparket Amsterdam, Team Specialistische Maatwerkzaken, geseponeerd.

Nadat op grond van artikel 12 Sv een klacht tegen het sepot werd ingediend, wees het gerechtshof Amsterdam de klacht bij beschikking van 19 januari 2016 af, waarmee de strafzaak tegen de appellant is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht (Sr).

Ten aanzien van de vraag of de hiervoor bedoelde kosten van rechtsbijstand ten laste van de appellant zijn gekomen overweegt het hof het volgende.

Bij de in de artikel 591a Sv geregelde vergoeding gaat het, blijkens de wetsgeschiedenis en jurisprudentie, om die kosten die daadwerkelijk ten laste van de gewezen verdachte komen. Vaststaat dat ten behoeve van de verdediging van de appellant, [advocaat] (en diverse van haar kantoorgenoten vanwege de verbondenheid van de zaken tegen de politieambtenaren [Appellant], [politieambtenaar 1], [politieambtenaar 2], [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4]) werkzaamheden heeft verricht. Genoemde advocaat heeft ter zake van de door haar (en haar kantoorgenoten) verrichte werkzaamheden declaraties op naam gesteld van en ingediend bij de politie Amsterdam-Amstelland. De politie Amsterdam-Amstelland heeft de declaraties voldaan. In beginsel betekent dit dat de bedoelde kosten niet ten laste van de appellant zijn gekomen. Dat kan anders zijn indien moet worden geoordeeld dat de kosten, hoewel feitelijk niet door de appellant gemaakt, toch als door hem gemaakte kosten zouden moeten worden gezien. In onderhavige zaak betekent dit dat moet worden beoordeeld of de kosten alsnog ten laste van de appellant komen, omdat sprake zou zijn van een door de werkgever aan de appellant verstrekte voorwaardelijke tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp. Dat sprake is van een dergelijke voorwaardelijke tegemoetkoming kan volgen uit de bewoordingen van de daarop van toepassing wet- en regelgeving of uit anderszins door de appellant gestelde en gebleken feiten en omstandigheden.

(...)

Artikel 69a BARP kent de politieambtenaar een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe. Het vierde lid van dat artikel noemt limitatief de gevallen waarin de kosten van rechtskundige hulp kunnen worden teruggevorderd. Het nalaten om een artikel 591a Sv-verzoek in te dienen of een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een dergelijk verzoek zijn blijkens genoemde bepaling geen gronden voor terugvordering. In genoemde bepaling worden aan de tegemoetkoming in de kosten ook geen voorwaarden verbonden. Het feit dat uit artikel 5 lid 3 van de Regeling voortvloeit dat de appellant gehouden is om - in een geval als zich in deze voordoet - over te gaan tot indiening van een verzoek ex artikel 591a Sv en ervoor zorg te dragen dat bij toewijzing van het verzoek de uitgekeerde vergoeding toekomt aan diens werkgever, maakt niet dat daarom reeds sprake zou zijn van een door de werkgever verstrekte voorwaardelijke tegemoetkoming. Dat volgt niet uit de bewoordingen van de Regeling en ook niet uit de toelichting daarop. Ook anderszins volgt niet uit het Besluit, de Politiewet 2012 - waarop dat Besluit is gebaseerd - en de Regeling dat sprake is van een door de werkgever aan de appellant verstrekte voorwaardelijke tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.

Gelet hierop is er naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak geen sprake van een situatie waarin de appellant op enigerlei wijze zelf de kosten van rechtsbijstand heeft moeten dragen of zal moeten dragen.

Nu voorts gesteld noch gebleken is van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan – desondanks - een vergoedingsplicht voor de Staat jegens de appellant zou kunnen worden aangenomen, dient het verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand te worden afgewezen.

Ook overigens, alle omstandigheden in aanmerking genomen, acht het hof geen gronden van billijkheid aanwezig de appellant de verzochte vergoeding ter zake van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.”
 

Middel

Het middel komt op tegen de afwijzing door het Hof van het op de voet van art. 591a Sv gedane verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand op de grond dat geen sprake is van een situatie waarin de verzoeker zelf de kosten van rechtsbijstand heeft moeten dragen of zal moeten dragen.
 

Beoordeling Hoge Raad

Indien een zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr, kan op grond van art. 591a, tweede lid, Sv aan de gewezen verdachte uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend in de kosten van een raadsman, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd.

In HR 1 mei 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB3408, NJ 1973/355 is deze bepaling aldus uitgelegd dat zij plaats laat voor het toekennen van een tegemoetkoming in (thans: vergoeding van) de door een gewezen verdachte geleden of verschuldigde kosten van een raadsman indien de gewezen verdachte krachtens een rechtsbijstandsverzekering op de verzekeraar een vordering tot vergoeding van die kosten heeft. Er bestaat geen goede grond anders te oordelen indien de gewezen verdachte op grond van een andere rechtsverhouding zo een vordering heeft op een derde, bijvoorbeeld zijn werkgever. Aan toekenning van een vergoeding staat evenmin in de weg dat de rechtsbijstandskosten door die derde worden gedragen.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak. 



 

Print Friendly and PDF