Hoge Raad zet voorwaarden witwassen nog eens uiteen

Hoge Raad 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3618

Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 30 augustus 2012 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden voor 1.) diefstal door twee of meer verenigde personen, 2.) medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, en 3.) witwassen, meermalen gepleegd.

Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. K. Hansen Löve, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij op één tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 7 juni 2010 in Nederland, voorwerpen te weten:

  • geldbedragen tot in totaal 22.774,- euro, en
  • een horloge van het merk Rolex (type 116200 Date Just en voorzien van het serienummer [001]) en
  • een auto van het merk Volkswagen (type Golf GTI voorzien van het kenteken [AA-00-BB])

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

Middel

Het middel klaagt in de eerste plaats over het oordeel van het Hof dat het onder 3 bewezenverklaarde "witwassen" oplevert.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel doet een beroep op recente rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er - kort gezegd - op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. met verdere verwijzingen HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515, rov. 6.4.1, 6.4.2 en 6.5)

Die motiveringseis geldt derhalve niet wanneer het gaat om voorwerpen die niet onmiddellijk, maar "middellijk" afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (bijvoorbeeld doordat onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen) en evenmin wanneer het gaat om voorwerpen die onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit een door een ander dan de verdachte begaan misdrijf (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR: 2014:702, NJ 2014/302, rov. 3.8).

Indien de feitenrechter zijn beslissing in de hierboven bedoelde zin heeft gemotiveerd, kan die motivering in cassatie worden getoetst.

Maar ook indien de feitenrechter de bewezenverklaring zonder hierop gerichte motivering als (schuld-)witwassen heeft gekwalificeerd omdat zich (kennelijk) niet een geval voordoet als hiervoor onder 2.3.1 bedoeld, kan dat (kennelijke) oordeel in cassatie op zijn begrijpelijkheid worden getoetst (zie bijvoorbeeld HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75, rov. 2.4.1 en 2.4.2).

Een dergelijk oordeel - waarin dus besloten ligt dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp - zal vooral niet begrijpelijk kunnen zijn indien:

  1. daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft, dan wel
  2. rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel
  3. de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.

Het middel klaagt allereerst over het oordeel van het Hof dat het onder 3 bewezenverklaarde ten aanzien van de aangetroffen contante geldbedragen "witwassen" oplevert.

In het onderhavige geval gaat het onder meer om een onder de verdachte bij zijn aanhouding aangetroffen geldbedrag van € 600,- en een in de kluis van de woning van de verdachte aangetroffen geldbedrag van € 1.750,-. Het bewezenverklaarde "heeft overgedragen" heeft kennelijk geen betrekking op deze bedragen, het bewezenverklaarde "heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad" wel. Het Hof heeft ook ten aanzien van het verwerven en/of voorhanden hebben van deze geldbedragen geoordeeld dat zulks witwassen oplevert.

Uit de "afsluitende overweging", waarin het Hof in dit verband onder meer verwijst naar diefstallen door de verdachte, vloeit rechtstreeks voort dat deze geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Gelet hierop schiet de motivering van het oordeel dat de bewezenverklaring ook in zoverre als witwassen kan worden gekwalificeerd, tekort. Het Hof - dat kennelijk ervan uitging dat een nadere motivering zoals hiervoor onder 2.3.1 bedoeld, nodig was - heeft in dit verband weliswaar overwogen dat het voorhanden hebben van de geldbedragen "heeft bijgedragen tot het verbergen of verhullen van de criminele herkomst ervan", maar heeft tegelijkertijd niet meer vastgesteld dan dat de verdachte een geldbedrag onder zich had en een geldbedrag in een kluis in zijn woning bewaarde, terwijl uit die vaststellingen niet zonder meer voortvloeit dat de verdachte daarmee in het bijzonder ook de criminele herkomst van dat geld heeft getracht te verbergen of te verhullen.

Voor vernietiging van de bestreden uitspraak deswege en terugwijzing of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling bestaat echter onvoldoende grond, aangezien door zo een partiële vernietiging de aard en de ernst van het feit in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast.

In zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld.

Het middel klaagt voorts over de verbeurdverklaring van een personenauto.

Het bestreden arrest houdt ten aanzien van die verbeurdverklaring het volgende in:

"Het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Zij behoren de verdachte toe.

Zij zullen daarom worden verbeurdverklaard. (...)

Beslissing

Het hof:

(...)

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een Volkswagen, type Golf GTI met kenteken [AA-00-BB]."

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een beslissing van 3 maart 2011 tot teruggave van de inbeslaggenomen personenauto. Hieruit rijst het ernstige vermoeden dat het beslag op de personenauto reeds was beëindigd ten tijde van de beslissing van het Hof tot verbeurdverklaring van deze personenauto. De verbeurdverklaring is daarom niet zonder meer begrijpelijk.

De klacht is terecht voorgesteld.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF