Hoge Raad herformuleert regels voor het stellen van raadslieden bij zittingsrechter

Hoge Raad 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2250

De inleidende dagvaarding is aan de verdachte niet in persoon uitgereikt, maar is wel op wettige wijze aan hem betekend. Vast staat tevens dat de politierechter de verdachte bij verstek heeft veroordeeld en dat geen (niet-gevolmachtigde) raadsman bij de verstekbehandeling aanwezig is geweest. Aangenomen mag worden dat geen afschrift van de dagvaarding is verzonden aan advocaat mr. P.C. Verloop. Voor een vermoeden dat hij desondanks van de dag van de terechtzitting op de hoogte was, geven de processtukken geen aanleiding.

In hoger beroep heeft mr. Verloop zich schriftelijk als raadsman van de verdachte gesteld en is hij ter terechtzitting verschenen. Het hof heeft vastgesteld dat zich onder de stukken geen schrijven bevindt waarin de in appel als raadsman optredende advocaat zich ook in eerste aanleg als zodanig stelt. De raadsman heeft erkend dat hij zich niet middels een brief aan de griffier heeft gesteld, maar heeft een brief aan het hof getoond die zich niet onder de aan de Hoge Raad toegezonden processtukken bevindt en waarvan het hof heeft vastgesteld dat deze zich ook niet heeft bevonden onder de stukken die de politierechter tot zijn beschikking had ten tijde van de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep valt op te maken dat deze brief voorafgaand aan de taakstrafzitting van het Openbaar Ministerie aan de officier van justitie is verzonden en dat daarin onder meer om toezending van de processtukken wordt verzocht. Verdachte en raadsman zijn op de taakstrafzitting niet verschenen, waarna de officier van justitie tot dagvaarding heeft besloten.
 

Middel

Het middel klaagt over de afwijzende beslissing van het hof op een verzoek tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.

In navolging van het in hoger beroep gevoerde verweer richten het middel en de toelichting daarop de pijlen op de afwezigheid van de raadsman ter terechtzitting in eerste aanleg. De steller van het middel betoogt dat de politierechter niet aan de inhoudelijke behandeling van de zaak had mogen toekomen, omdat de raadsman van de verdachte niet is verschenen, terwijl hij niet op de voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van die terechtzitting en zich ook geen omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de raadsman met de dag van die terechtzitting bekend was.
 

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad heeft het eerste lid van art. 39 (oud) Sv aldus uitgelegd dat het een ordemaatregel bevat en dat een schriftelijke kennisgeving geen noodzakelijke voorwaarde vormt om als raadsman te kunnen optreden. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg is voorzien van rechtsbijstand door een raadsman, behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend (vgl. HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182, NJ 2001/161, rov. 3.2.2). Dat neemt niet weg dat een advocaat die verzuimt voor de desbetreffende aanleg bedoelde schriftelijke kennisgeving te doen - volgens de wetsgeschiedenis "een niet noemenswaardigen last" - het gevaar loopt "door de bij de zaak betrokken autoriteiten aanvankelijk niet als de raadsman van de verdachte te worden erkend en behandeld" (Kamerstukken II, 1913-1914, 286, nr. 3, p. 72) en dat hij als gevolg daarvan niet op de voet van art. 51 (oud) (thans art. 48) Sv afschrift ontvangt van de stukken die ter kennis van de verdachte worden gebracht.

Bij de op 1 maart 2017 in werking getreden wet van 17 november 2016, Stb. 476, houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enige nadere wetten in verband met aanvulling van bepalingen over de verdachte, de raadsman en enkele dwangmiddelen, is de regeling van het eerste lid van art. 39 (oud) Sv vervangen door een regeling die inhoudt dat de gekozen raadsman alsook de door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aangewezen raadsman van hun optreden voor de verdachte kennis geven aan de hulpofficier van justitie, de officier van justitie en tevens aan de rechter-commissaris ingeval deze uit hoofde van de art. 181-183 Sv onderzoekshandelingen verricht (art. 38, vijfde lid, en 40, tweede lid, Sv).

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze wet blijkt niet op welke wijze deze kennisgeving aan de (hulp)officier van justitie moet worden gedaan en evenmin waarom de (schriftelijke) kennisgeving aan de griffie is vervallen. In het bijzonder blijkt uit de wetsgeschiedenis niet hoe - ingeval de verdachte wordt gedagvaard om terecht te staan - de raadsman kan verzekeren dat hij door de rechter als zodanig wordt erkend en op de hoogte wordt gesteld van de terechtzitting teneinde aldaar zijn (kern)rol te vervullen. (Vgl. HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1997:ZD0442, NJ 1996/557.) Evenmin voorzien art. 38 en 40 Sv in de verplichting voor de in die bepaling genoemde personen om, indien de zittingsrechter wordt betrokken in de zaak, het desbetreffende gerecht te verwittigen van de kennisgeving van de raadsman.

Dit betekent dat de tegenwoordige regeling licht aanleiding kan geven tot fouten en misverstanden omtrent de vraag of de verdachte is (of werd) bijgestaan door een raadsman en dat daardoor een ordelijk procesverloop in gevaar komt. Uit niets blijkt dat de wetgever dit risico onder ogen heeft gezien en nog minder dat hij dit heeft aanvaard. Daarom moet, gelet op het belang van een goede organisatie van de rechtspleging - waaronder begrepen het belang dat op niet voor misverstand vatbare wijze is vastgelegd dat de verdachte op de terechtzitting zal worden bijgestaan door een raadsman - onder het huidige wetboek en in afwijking van de hiervoor vermelde rechtspraak, worden aangenomen dat een advocaat die heeft verzuimd aan de griffie van het desbetreffende gerecht schriftelijk kennis te geven dat hij bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting zal optreden als gekozen of aangewezen raadsman van de verdachte, zich niet met vrucht erop kan beroepen dat hij voor de desbetreffende aanleg ten onrechte niet als raadsman is erkend, dus ook niet indien hij wel de in art. 38, vijfde lid, en art. 40, tweede lid, Sv bedoelde kennisgeving aan de (hulp)officier van justitie en/of de rechter-commissaris heeft gedaan. Het kennisgeven van genoemd optreden bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te geschieden bij separaat schrijven waarin voldoende nauwkeurig is aangegeven - door vermelding van onder meer het parketnummer en, voor zover bekend, het griffie- of rolnummer - op welke zaak het optreden betrekking heeft.

Nu de advocatuur tot dit arrest niet bedacht behoefde te zijn op de onder 2.5.4 geformuleerde regels betreffende het schrijven aan de griffie, ziet de Hoge Raad aanleiding om als overgangsmaatregel een uitzondering op die regels te aanvaarden in gevallen waarin de advocaat zich in de periode van 1 maart 2017 tot 1 oktober 2017 overeenkomstig art. 38, vijfde lid, Sv of art. 40, tweede lid, Sv heeft gesteld bij de hulpofficier van justitie, de officier van justitie of de rechter-commissaris.

Blijkens de vaststellingen van het Hof was de brief van 23 mei 2013 van mr. Verloop aan het Openbaar Ministerie niet aanwezig in het dossier dat de Politierechter ter beschikking stond bij de behandeling van de onderhavige strafzaak in eerste aanleg en is omtrent de inhoud van die brief gebleken dat daarin is verzocht om "het toezenden van stukken". Gelet hierop getuigen 's Hofs oordelen dat de brief niet kan worden aangemerkt als een schriftelijke kennisgeving als bedoeld in art. 39 (oud) Sv en dat niet uit enig in het dossier aanwezig stuk is gebleken dat de verdachte voor de zitting in eerste aanleg was voorzien van rechtsbijstand door een raadsman, niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn zij niet onbegrijpelijk.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.
 

Conclusie AG

7. Uit het in art. 423, tweede lid, Sv besloten liggende beginsel dat een verdachte in aan hoger beroep onderworpen strafzaken aanspraak heeft op berechting in twee feitelijke instanties vloeit voort dat ook buiten de gevallen bedoeld in art. 422a Sv en art. 423, tweede lid, Sv zich situaties laten denken waarin het gerechtshof dat tot vernietiging van het vonnis in eerste aanleg komt, de zaak naar de rechtbank behoort terug te wijzen. Zo’n situatie doet zich onder andere voor wanneer de rechtbank de zaak ten onrechte ten gronde heeft behandeld omdat een van de personen die bij het onderzoek ter terechtzitting een kernrol vervullen aldaar niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit volgt dat die dag hem tevoren bekend was. Tot de selecte groep van personen met zo’n ‘kernrol’ moet, naast de verdachte en de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie, ook de raadsman worden gerekend.

8. Ingevolge art. 51 Sv moet – behoudens het bepaalde in art. 32, tweede lid, Sv – van alle relevante stukken die ter kennis van de verdachte worden gebracht een afschrift aan de raadsman worden verstrekt. Onder die relevante stukken moet ook de dagvaarding worden geschaard. Hoewel de wet niet-naleving van het voorschrift van art. 51 Sv niet uitdrukkelijk met nietigheid bedreigt, staat verzuim eraan gevolg te geven aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg. Aan het voorschrift van art. 51 Sv kunnen de justitiële autoriteiten evenwel alleen dan uitvoering geven wanneer zij weten dat de verdachte door de desbetreffende advocaat wordt bijgestaan. Daartoe schrijft artikel 39, eerste lid, Sv voor dat een advocaat al naar gelang het stadium waarin de strafzaak zich bevindt de griffier of de hulpofficier schriftelijk kennis geeft van zijn optreden als raadsman van de verdachte. Een aan de officier van justitie gerichte brief voldoet niet aan die omschrijving, zodat de door mr. Verloop geschreven brief niet kan worden aangemerkt als een kennisgeving als bedoeld in art. 39, eerste lid, Sv. Daaraan doet niet af dat het in de praktijk gebruikelijk is de officier van justitie zelf (eveneens) te informeren over het optreden als raadsman.

9. Een stelbrief als bedoeld in art. 39, eerste lid, Sv is echter geen noodzakelijke voorwaarde om als raadsman te worden erkend, maar betreft louter een ordemaatregel. Indien uit enig ander in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg van rechtsbijstand door een raadsman is voorzien, dan dient die raadsman voor de gehele aanleg als zodanig te worden erkend. Bijgevolg behoort hij in dat geval een afschrift van de dagvaarding te ontvangen en zo van de dag van de terechtzitting op de hoogte te worden gebracht.

10. Tegen deze achtergrond roept de feitelijke gang van zaken in de onderhavige zaak twee vraagpunten op. Ten eerste de vraag of een brief als die welke mr. Verloop in het kader van de taakstrafzitting van het Openbaar Ministerie heeft verzonden moet worden aangemerkt als een stuk waaruit aan de rechter of een andere justitiële autoriteit kan blijken dat de verdachte ten tijde van de rechterlijke behandeling in eerste aanleg van rechtsbijstand was voorzien. Luidt het antwoord daarop bevestigend, dan rijst ten tweede de vraag wat de gevolgen moeten zijn van de omstandigheid dat de bedoelde brief aan de officier van justitie zich ten tijde van de berechting door de politierechter niet onder de in het dossier aanwezige stukken bevond.

11. De eerste vraag vertoont verwantschap met hetgeen centraal staat in mijn op 11 april 2017 genomen conclusie in de zaak met parketnummer 15/03926. In die zaak ligt voor of een door een advocaat namens de verdachte ingediend verzetschrift tegen een strafbeschikking moet worden beschouwd als een stuk waaruit blijkt dat de verdachte van rechtsbijstand door de desbetreffende advocaat is voorzien. In mijn conclusie in de zaak heb ik mij afgevraagd of het indienen van een verzetschrift moet worden gelijkgesteld aan het aanwenden van een rechtsmiddel door een raadsman, waaruit niet hoeft worden geconcludeerd dat die raadsman de verdachte in hogere instantie ook zal bijstaan, of aan het indienen van een appelschriftuur, waaruit wel moet worden afgeleid dat de indiener als raadsman van de verdachte zal optreden. Alles afwegende zie ik in die zaak voldoende reden om een door een advocaat ingediend verzetschrift evenals een appelschriftuur aan te merken als een stuk waaruit blijkt dat de verdachte is voorzien van rechtsbijstand bij de daaropvolgende berechting.

12. Complicerende factor bij de beoordeling van het middel in de onderhavige zaak is dat naar de precieze inhoud van de door de raadsman in hoger beroep overlegde brief moet worden gegist. Het hof heeft vastgesteld dat de auteur van de brief “onder andere vraagt om het toezenden van stukken”. Ten gunste van verzoeker tot cassatie ga ik er vanuit dat het ‘andere’ dat die brief inhield erin bestond dat de raadsman kenbaar maakte de verdachte in zijn taakstrafzitting te zullen bijstaan. De opmerking van de advocaat-generaal dat de raadsman zich heeft “gesteld voor de taakstrafzitting” biedt daarvoor steun. Daarvan uitgaande lijdt het weinig twijfel dat de desbetreffende brief is aan te merken als een stuk waaruit de justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte in ieder geval voor de taakstrafzitting van rechtsbijstand was voorzien. Is hij daarmee nu voor de desbetreffende aanleg van rechtsbijstand voorzien?

13. Waar het alsdan op aankomt, is wat onder de desbetreffende aanleg moet worden verstaan. De Hoge Raad overweegt daaromtrent steevast als volgt:

“Behoudens in het geval van voortijdige beëindiging van diens werkzaamheid, geldt de keuze van een raadsman — evenals ingevolge art. 43, eerste lid, Sv de toevoeging van een raadsman — voor de gehele aanleg waarin zij heeft plaatsgehad. Die aanleg is beëindigd als de betreffende uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of als daartegen een gewoon rechtsmiddel is ingesteld (vgl. HR 9 juni 1998, LJN ZD1192, NJ 1998/784). Ingevolge art. 39, eerste lid, Sv geeft de gekozen raadsman van zijn optreden als zodanig, wanneer de officier van justitie reeds in de zaak betrokken is, schriftelijk kennis aan de griffier of, als dat nog niet het geval is, aan de betrokken hulpofficier.”

14. De wet kent de taakstrafzitting van het Openbaar Ministerie als zodanig niet. Wel bepaalt art. 257c, eerste lid, Sv dat een strafbeschikking houdende een taakstraf slechts wordt uitgevaardigd indien de verdachte door de officier van justitie is gehoord en daarbij heeft verklaard bereid te zijn de straf te voldoen. Niet uitgesloten is dat op een ‘taakstrafzitting’ ook andere strafvorderlijke activiteiten plaatsvinden, maar de vervulling van de voorwaarden voor de oplegging van een strafbeschikking houdende een taakstraf lijkt het belangrijkste doel ervan. De taakstrafzitting kan derhalve worden beschouwd als één van de procedurele aspecten waarmee de oplegging van een strafbeschikking is omgeven.

15. Alvorens ik nu nader inga op de procedure tot oplegging van een strafbeschikking merk ik nog het volgende op. Op de website van het Openbaar Ministerie (www.om.nl) wordt in de begrippenlijst onder ‘TOM’ de volgende uitleg gegeven: “TOM staat voor Taakstraf Openbaar Ministerie. Op een TOM-zitting kan een officier van justitie een verdachte een taakstraf (een werkstraf of een leerstraf) of een geldboete, of een combinatie hiervan aanbieden. Bij deze besloten zitting is het niet de rechter die een straf oplegt maar de officier van justitie die een straf aanbiedt. Als de verdachte hier niet op ingaat of de taakstraf niet naar behoren uitvoert, wordt hij of zij alsnog gedagvaard voor de rechter.”

16. Tegenwoordig geschiedt de afdoening in een TOM-zitting in hoofdzaak in de vorm van de strafbeschikking, maar in het verleden werd deze zitting ook wel gebruikt in het kader van de transactie. Zie art. 74, tweede lid, onder f Sr waarin de volgende bij een transactie te stellen voorwaarde is opgenomen: het verrichten van onbetaalde arbeid of het volgen van een leerproject gedurende ten hoogste honderdtwintig uren. Ter zake van het op 2 mei 2013 begane feit was verdachte uitgenodigd voor de taakstrafzitting van 18 juni 2013. Dit sluit niet volledig uit dat het om het aanbieden van een transactie is gegaan. De procedure om op een TOM-zitting een transactie overeen te komen, is en was niet onderworpen aan wettelijke regels. Voor het geval inderdaad een aanbod tot transactie tijdens de TOM-zitting in het verschiet lag, lijkt mij – (zelfs) in het geval dat de raadsman het OM heeft geschreven dat hij verdachte in het kader van de transactie bijstaat – uitgesloten te verdedigen dat de raadsman daarmee voldoende kenbaar heeft gemaakt dat hij de verdachte zal bijstaan tijdens de behandeling van de zaak door de rechter in eerste aanleg. Ik ga er daarom vanuit dat er sprake is geweest van een TOM-zitting in het kader van een strafbeschikking.

17. Moet de procedure tot oplegging van een strafbeschikking in dit verband worden aangemerkt als een onderdeel van de eerste aanleg waarbij de verdachte in beginsel door één en dezelfde raadsman wordt bijgestaan of is sprake van een afzonderlijke instantie? Enerzijds springt in het oog dat de procedure tot oplegging van een strafbeschikking karaktertrekken vertoont van een afzonderlijke instantie. De strafbeschikking wordt bijvoorbeeld net als een rechterlijk vonnis in de regel uitvoerbaar indien niet binnen veertien dagen daartegen verzet wordt aangewend. De wetgever heeft het verzet in de zin van art. 257e Sv daarnaast uitdrukkelijk als rechtsmiddel aangemerkt en bij de vormgeving ervan heeft de regeling van het hoger beroep tot voorbeeld gediend.

18. Daartegenover staan argumenten de procedure tot oplegging van een strafbeschikking te rubriceren als berechting in eerste aanleg en niet als een afzonderlijke aanleg. Een eerste aanwijzing daarvoor biedt de hiervoor onder 13. geciteerde standaardoverweging van de Hoge Raad waarin - vermoedelijk welbewust – louter het in kracht van gewijsde gaan van een uitspraak en het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een uitspraak de beëindiging van een aanleg signaleren. Verzet is geen gewoon rechtsmiddel, althans in elk geval niet gericht tegen een uitspraak, en is dus niet zonder meer een beëindiging van de aanleg als bedoeld in de overweging. Een strafbeschikking kan uitvoerbaar zijn, maar kracht van gewijsde verkrijgen uitsluitend uitspraken van de (straf)rechter. Ook aan de boekindeling van het Wetboek van Strafvordering valt een argument te ontlenen om de procedure tot oplegging van een strafbeschikking te scharen onder de berechting in eerste aanleg en niet te beschouwen als een afzonderlijke instantie. Titel IVA ‘Vervolging door een strafbeschikking’ maakt daarin onderdeel uit van het tweede boek dat als titel draagt ‘Strafvordering in eersten aanleg’. Een derde, in de toelichting op het middel aangevoerd, argument van meer praktische aard is dat de Raad voor Rechtsbijstand bij het verstrekken van toevoegingen tot uitgangspunt neemt dat deze toevoeging voor de gehele aanleg geldt. De toevoeging die is verstrekt in het kader van verzet tegen de strafbeschikking of het bijwonen van een officierszitting geldt daarbij tevens voor de eventuele behandeling ter terechtzitting. Meer nog van belang is volgens mij dat de procedure tot oplegging van een strafbeschikking zich van het voorbereidend onderzoek in eerste aanleg niet strikt laat onderscheiden en daaraan in tijd niet noodzakelijk steeds voorafgaat. Kwalificatie van de procedure tot oplegging van een strafbeschikking als afzonderlijke aanleg kan in voorkomende gevallen twijfel doen ontstaan over de vraag op welke procedure een aan de griffier gerichte stelbrief betrekking heeft, terwijl op het moment dat een advocaat zich als raadsman wil stellen voor hem ook niet altijd helder zal zijn of de oplegging van een strafbeschikking aan de orde is.

19. Kortom, er zijn naast argumenten tegen ook argumenten voor de stelling dat een brief waarin de raadsman kenbaar maakt dat hij de verdachte zal bijstaan in het kader van de procedure tot oplegging van een strafbeschikking moet worden beschouwd als een stuk waaruit aan de justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte in de gehele eerste aanleg van rechtsbijstand is voorzien. Vooral de eerste twee argumenten voor de stelling wegen mijns inziens zwaarder dan de argumenten ertegen. Dit betekent dat een brief van een advocaat aan het OM dat hij verdachte bij een TOM-zitting (beschikking) bijstand verleent, mijns inziens moet worden aangemerkt als op zijn minst een voornemen tot het verlenen van bijstand bij de TOM-zitting en de daarop eventueel volgende procedure in eerste aanleg na dagvaarding. Het betekent echter niet dat de regeling van art. 39 Sv daarmee niet meer behoeft te worden nageleefd.

20. Dit brengt mij bij het tweede opgeworpen vraagpunt, te weten welk gevolg moet worden verbonden aan de afwezigheid van de desbetreffende brief in het procesdossier waarover de politierechter beschikte.

21. Wanneer een stelbrief ontbreekt, moet een raadsman als gezegd toch als zodanig worden erkend indien uit enig in het procesdossier aanwezig stuk blijkt dat hij als zodanig optreedt. A contrario lijkt die rechtspraak mee te brengen dat een in het procesdossier niet aanwezig stuk in beginsel niet tot erkenning als raadsman kan nopen. De steller van het middel beroept zich evenwel op de jurisprudentie van de Hoge Raad waarin art. 51 Sv voor geschonden wordt gehouden wanneer een op de schriftelijke kennisgeving als bedoeld in art. 39, eerste lid, Sv gerichte stelbrief ter griffie in het ongerede is geraakt en ten gevolge daarvan de raadsman van relevante stukken verstoken is gebleven. De redelijkheid van die rechtspraak ligt voor de hand: de raadsman die heeft gedaan wat op dit vlak redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, mag geen nadeel ondervinden van een ambtelijk verzuim van de griffier.

22. Dat hoeft echter niet te betekenen dat ook de afwezigheid in het procesdossier van ieder ander gedingstuk dan de stelbrief bedoeld in art. 39, eerste lid, Sv waaruit zou hebben kunnen blijken dat de verdachte van rechtsbijstand is voorzien steeds schending van art. 51 Sv oplevert. In HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:244, NJ 2016/212, m.nt. Reijntjes was een door een advocaat ingediend klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv niet aanwezig in het dossier dat de politierechter bij de behandeling in eerste aanleg onder zich had. Het oordeel van het hof dat, gelet op die afwezigheid in het dossier, het voorschrift van de tweede volzin van art. 51 Sv niet door de politierechter was geschonden, getuigde niet van een onjuiste rechtsopvatting. In dat oordeel lijkt te kunnen worden gelezen dat een klaagschrift dat wel in het procesdossier aanwezig was geweest wel had moeten worden opgevat als een stuk waaruit had kunnen blijken dat de verdachte van rechtsbijstand was voorzien.

23. Aldus heeft het ontbreken van stukken waaruit het optreden van een raadsman had kunnen blijken niet zonder meer dezelfde consequenties als het ontbreken van een op het kenbaar maken van dat optreden gerichte stelbrief. Ik kan mij in die redenering goed vinden en meen dat zij ook in de onderhavige zaak opgaat. Het bepaalde in art. 39, eerste lid, Sv neem ik daarbij tot uitgangspunt: een raadsman stelt zich door een schriftelijke kennisgeving aan de griffier. Uit de bewoordingen van die bepaling laat zich weliswaar niet afleiden dat waar zo’n stelbrief ontbreekt ook niet als raadsman kan worden opgetreden, maar de ratio van die bepaling is wel dat naleving ervan de bevoegde autoriteiten aanstonds op de hoogte stelt van het feit dat de verdachte wordt bijgestaan door een raadsman en door welke. Een advocaat die zeker wil zijn dat hij als raadsman wordt erkend, dient zich uitdrukkelijk als zodanig te stellen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de griffier (of in een eerder stadium: de hulpofficier). Gaat bij de verwerking van die kennisgeving iets mis aan de kant van de overheid, dan mag de verdediging daarvan geen nadeel ondervinden en komt de verdachte het recht op berechting in twee feitelijke instanties onverkort toe. De advocaat die verzuimt zich te stellen, kan daarentegen niet blindelings erop rekenen dat uit andere betrokkenheden in de strafzaak wel zal worden afgeleid dat hij als raadsman van de verdachte optreedt. Het ontbreken van andere stukken in het procesdossier dan de stelbrief waaruit zijn betrokkenheid als raadsman mogelijk had kunnen blijken, dient voor zijn risico te blijven.

24. Het hof heeft als diens oordeel tot uitdrukking gebracht dat de rechtbank, gelet op het feit dat zich in het dossier geen stuk bevond waaruit bleek dat de verdachte voor de zitting in eerste aanleg van rechtsbijstand was voorzien, terecht is overgegaan tot inhoudelijke behandeling van de zaak. Dat oordeel getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering.

25. Het middel faalt.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF