Hoge Raad brengt alsnog in strafzaak verbeurd verklaard bedrag geheel in mindering op ontnemingsbedrag

Hoge Raad 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:433

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 9 november 2015 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 49.586,- en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 32.086,-.

Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 9 november 2015 (parketnummer 21-007802-13) ter zake van het ten laste gelegde onder 1 t/m 4 veroordeeld tot straf.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 49.586,-.

(...)

De verplichting tot betaling aan de Staat

In de strafzaak heeft het hof geoordeeld dat een bedrag van € 35.000,- verbeurd verklaard dient te worden, omdat dit door verdachte is verdiend met drugshandel.

Gelet op de samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte betrokkene 8, zal het hof de helft van dit bedrag toerekenen aan verdachte en de andere helft aan betrokkene 8. De betalingsverplichting zal derhalve worden verminderd met het bedrag van € 35.000,- : 2 = € 17.500,-.

De betalingsverplichting wordt daarmee vastgesteld op € 49.586,-. minus € 17.500,- = € 32.086,-."
 

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, slechts de helft van het verbeurdverklaarde geldbedrag in mindering heeft gebracht op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.
 

Beoordeling Hoge Raad

Door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, kan worden bereikt dat aan een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen (vgl. HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR: 2016:874, NJ 2016/283, rov. 2.4). Door de verbeurdverklaring van het door de betrokkene met de drugshandel verdiende en onder hem in beslaggenomen geldbedrag van € 35.000,- is dit wederrechtelijk verkregen voordeel reeds aan de betrokkene ontnomen. Het oordeel van het Hof dat, "gelet op de samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte" de helft van het verbeurdverklaarde bedrag in mindering moet worden gebracht op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting, is daarom onjuist.

Het middel slaagt.

De Hoge Raad zal om redenen van doelmatigheid zelf de zaak afdoen door de door het Hof vastgestelde betalingsverplichting alsnog te verminderen met het gehele verbeurdverklaarde geldbedrag van € 35.000,-. Uitgaande van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 49.586,- zal worden bepaald dat de aan de betrokkene opgelegde verplichting tot betaling aan de staat een bedrag van € 14.586,- bedraagt.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en bepaalt de betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 14.586,-.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF