Hof verwerpt beroep op afgeleide werking inkeerregeling ex art. 69 AWR

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 juli 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6347

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en witwassen. Uit hoofde van zijn functie als bewindvoerder van zijn tante heeft verdachte voor de belastingdienst verzwegen dat er grote geldbedragen op Luxemburgse bankrekeningen stonden. Verdachte heeft deze ‘zwarte’ geldbedragen vervolgens contant opgenomen en aan zijn moeder overhandigd. Verdachte heeft in het kader van de invulling van zijn rol als bewindvoerder niet correct gehandeld.

Hof verwerpt, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad, het beroep op de afgeleide werking van de inkeerregeling van artikel 69 AWR ten aanzien van het door verdachte gepleegde witwassen van geschonken zwart geld.

Het gerechtshof acht niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van fiscale inkeer, zodat verdachte evenmin een beroep zou toekomen op als degene die de inkeer zou hebben bevorderd. Daarnaast acht het gerechtshof evenmin aannemelijk geworden dat verdachte de fiscale inkeer heeft bevorderd, zodat het gerechtshof het beroep op de inkeerregeling daarom eveneens verwerpt.
 

Procesgang

Dit hof heeft bij arrest van 9 oktober 2014:

  • de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde;
  • voormeld vonnis voor het overige vernietigd en in zoverre opnieuw rechtgedaan;
  • verdachte ter zake van het in onder 1 (valsheid in geschrift, meermalen gepleegd) en onder 3 (witwassen, meermalen gepleegd) ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderdtachtig uren, subsidiair negentig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest;

Het hof heeft bij arrest van 9 oktober 2014 onder 1 bewezen verklaard dat verdachte op 16 januari 2006 en 12 maart 2007 te plaats , gemeente gemeente , een Aangifte recht van successie (bij de belastingdienst betreffende de nalatenschap van overledene ) en een invulformulier voor het opmaken van de eindrekening (van de rechthebbende betrokkene 1 ) - zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk op de Aangifte recht van successie bij vraag 6c en op het invulformulier voor het opmaken van de eindrekening bij het staatje 'beginsaldo', de (Luxemburgse) bankrekeningen en (bijbehorende) effectenrekening(en) en het (totaal)saldo van genoemde rekeningen van ongeveer 425.000 euro niet vermeld, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De Hoge Raad wees de zaak terug naar het hof omdat onder bijzondere omstandigheden gronden van behoorlijke procesorde met zich kunnen brengen, dat degene die de fiscale inkeer bij een ander heeft bevorderd zelf niet vervolgd kan worden wegens door hem bij hetzelfde feitencomplex gepleegd witwassen.
 

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De raadsman heeft, onder verwijzing naar de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad der nederlanden, mr. Hofstee, d.d. 19 januari 2016 en het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden d.d. 5 april 2016 – zakelijk weergegeven – betoogd dat de omstandigheid dat op initiatief van verdachte belasting is afgedragen door de moeder van verdachte een beletsel vormt voor strafvervolging. Volgens de raadsman heeft de Hoge Raad dit bevestigd in haar arrest door te verwijzen naar HR 22 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1761, NJ 2001/698. Net als in die casus is volgens de raadsman in de onderhavige zaak eveneens sprake van dermate bijzondere omstandigheden dat volgens de advocaat-generaal bij de Hoge Raad en Hoge Raad niet-ontvankelijkheid in de vervolging dient te volgen ter zake van het onder 3 ten laste gelegde.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende.

Anders dan de raadsman stelt, komen de advocaat-generaal bij de Hoge Raad en de Hoge Raad niet tot de vaststelling dat het openbaar ministerie in de onderhavige strafzaak ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde in de vervolging niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De advocaat-generaal bij de Hoge Raad komt immers tot de conclusie dat het hof het verweer inzake de inkeer van verdachte op ontoereikende wijze heeft gemotiveerd en dat de motivering van die verwerping niet zonder meer begrijpelijk is. De advocaat-generaal concludeert om die reden tot – kort gezegd – terugwijzing van de zaak. De Hoge Raad stelt vervolgens vast dat de verwerping van het gevoerde verweer ontoereikend is gemotiveerd en wijst de zaak terug.

De advocaat-generaal en de Hoge Raad overwegen daarbij dat, gelet op de wet en geldende jurisprudentie, het onder bepaalde bijzondere omstandigheden mogelijk is dat ook een ander dan de schuldige aan een fiscaal delict een beroep op de inkeerregeling toekomt. Te denken is aan de persoon, niet belastingplichtige, die heeft bevorderd dat de belastingplichtige alsnog de juiste aangifte en afdracht doet aan de belastingdienst. Voorts kunnen onder bijzondere omstandigheden beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat, indien vervolging van het fiscale misdrijf op grond van artikel 69, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is uitgesloten, niet alsnog ter zake van het desbetreffende feitencomplex een op overtreding van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht toegespitste strafvervolging wordt ingesteld.

De advocaat-generaal bij het hof gaat, na de terugwijzing door de Hoge Raad, in hoger beroep uit van hetgeen door verdachte en zijn raadsman is aangevoerd, te weten dat verdachte heeft bevorderd dat zijn moeder bij de belastingdienst van de schenking meldde van het zwarte geld, zodat daarover alsnog belasting kon worden geheven. De advocaat-generaal vordert op grond daarvan de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging ter zake van het onder 3 ten laste gelegde. De advocaat-generaal heeft ter zitting van het hof verwezen naar hetgeen de advocaat-generaal bij de Hoge Raad concludeert.

De vraag die het hof in verband met het ontvankelijkheidsverweer dient te beantwoorden is of verdachte heeft bevorderd dat zijn moeder de schenking van het zwarte geld bij de belastingdienst heeft gemeld, zodat daarover alsnog belasting kon worden geheven. Het hof stelt in dat verband ter zake van het onder 3 ten laste gelegde, op grond van de stukken in het dossier en de verklaringen van verdachte de volgende gang van zaken vast:

  • aangever heeft op enig moment voordat hij formeel aangifte deed, nadat hij en (de) andere erven van betrokkene 1 (de tante van verdachte) op de hoogte raakten van de schenking door betrokkene 1 aan betrokkene 2 (de moeder van verdachte), de belastingdienst op de hoogte gebracht van deze schenking1;
  • de belastingdienst heeft hierop contact gezocht met betrokkene 2;
  • betrokkene 2 heeft hierna tegenover de belastingdienst openheid van zaken gegeven over de door haar van haar zus, betrokkene 1 , ontvangen schenking en de omvang daarvan;
  • ook verdachte heeft pas naar aanleiding van het handelen van de belastingdienst en dus nadien openheid van zaken gegeven.

Artikel 69, derde lid van de AWR, de inkeerregeling, zoals dat gold ten tijde van het ten laste gelegde, luidt:

3. Het recht tot strafvervolging op de voet van dit artikel vervalt, indien de schuldige alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juist en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzing verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een of meer van de in artikel 80, eerste lid, bedoelde ambtenaren de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.

Gelet op de hiervoor vastgestelde gang van zaken komt de moeder van verdachte niet een beroep op de inkeerregeling van artikel 69, derde lid, AWR toe. De belastingdienst was immers al op de hoogte van de schenking voordat betrokkene 2 openheid van zaken gaf, namelijk doordat aangever voornoemd de dienst op de hoogte had gebracht. Voor inkeer op grond van bedoeld artikel is het dan te laat. Dit heeft tot gevolg dat ook aan verdachte, als ‘afgeleid spijtoptant’, evenmin een beroep op de werking van de inkeerregeling als bedoeld in artikel 69, derde lid, AWR toekomt.

Daarnaast stelt het hof vast dat verdachte, anders dan hij thans tegenover het hof heeft verklaard, in zijn eerdere verklaringen heeft aangegeven dat hij de aangifte van de schenking tegenover de belastingdienst volledig aan zijn moeder heeft overgelaten. Hij heeft hierover onder meer verklaard dat hij dat probleem bij zijn moeder had neergelegd, dat zijn moeder dat verder zou regelen en dat zijn moeder het bij de belastingdienst heeft gemeld naar aanleiding van een telefoontje van de belastingdienst4. Verdachtes moeder heeft ook nimmer verklaard dat zij door haar zoon, verdachte, zou zijn bewogen tot het doen van aangifte van de schenking bij de belastingdienst. Zij heeft met het doen van aangifte gewacht totdat haar zus, betrokkene 1 , was overleden5. Verdachtes ‘bevorderen van inkeer’ zoals bedoeld door de advocaat-generaal bij de Hoge Raad en de Hoge Raad is derhalve niet aannemelijk geworden.

De stukken die door de raadsman bij gelegenheid van de vorige behandeling in hoger beroep aan het hof zijn overgelegd, ter onderbouwing van zijn standpunt aangaande – zakelijk weergegeven – de wetenschap van de belastingdienst over de Luxemburgse rekening(en), het zwarte geld en de schenking aan de moeder van verdachte maken dit niet anders. Deze stukken zijn immers alle van na het moment waarop de belastingdienst contact heeft opgenomen met de moeder van verdachte en later met verdachte over een en ander. De inhoud van het dossier ondersteunt overigens evenmin de stelling van verdachte dat hij een bij de inkeer bevorderende rol heeft gehad.

Het hof verwerpt, gelet op het voorgaande, het beroep op niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde.

Hieruit vloeit voort dat hetgeen de raadsman op de zitting in hoger beroep heeft aangevoerd ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit geen nadere bespreking behoeft.
 

Bewezenverklaring

Witwassen, meermalen gepleegd.
 

Strafoplegging

Taakstraf voor de duur van 180 uur.
 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF