Hof van Justitie: Een verdachte kan opnieuw worden vervolgd in een Schengenstaat wanneer de eerdere vervolging in een andere Schengenstaat is beëindigd zonder dat een uitgebreid onderzoek is verricht

Hof van Justitie 29 juni 2016, C-486/14 (Piotr Kossowski) Het parket van Hamburg (Duitsland) legt P. Kossowski ten laste dat hij zich in Hamburg schuldig heeft gemaakt aan afpersing die kan worden gelijkgesteld aan diefstal met verzwarende omstandigheden. Het Landgericht Hamburg (rechter van de deelstaat Hamburg) heeft evenwel geweigerd rechtsingang te verlenen, omdat het „ne bis in idem”-beginsel, zoals dit in de Schengenruimte van toepassing is, zich daartegen verzet. In casu had het parket van Kołobrzeg in Polen, waar Kossowski was aangehouden wegens een ander strafbaar feit, reeds op basis van dezelfde feiten een onderzoek tegen hem ingesteld. Dat onderzoek was definitief beëindigd bij gebrek aan voldoende ernstige bezwaren.

Deze beslissing van het parket van Kołobrzeg om het onderzoek te beëindigen, was meer bepaald ingegeven door het feit dat Kossowski had geweigerd een verklaring af te leggen en dat zowel het slachtoffer als een indirecte getuige in Duitsland woonde, zodat zij tijdens het onderzoek niet hadden kunnen worden gehoord en de juistheid van de verklaringen van het slachtoffer bijgevolg niet hadden kunnen worden onderzocht. In Polen was geen uitgebreider onderzoek verricht.

Het Hanseatische Oberlandesgericht (hoogste rechter van de deelstaat Hamburg), waarbij het parket van Hamburg hoger beroep heeft ingesteld, verzoekt het Hof de draagwijdte van het „ne bis in idem”-beginsel nader toe te lichten. Het wenst met name te vernemen of Kossowski – gelet op de beslissing van het Poolse openbaar ministerie, die is gegeven zonder dat een uitgebreid onderzoek is verricht – moet worden geacht „bij onherroepelijk vonnis [...] berecht” te zijn of „onherroepelijk [...] vrijgesproken” te zijn, zodat het „ne bis in idem”-beginsel in de weg zou staan aan een nieuwe vervolging wegens dezelfde feiten in Duitsland.

In zijn arrest van heden herinnert het Hof eraan dat het „ne bis in idem”-beginsel tot doel heeft te waarborgen dat een persoon die is veroordeeld en zijn straf heeft ondergaan of in voorkomend geval onherroepelijk is vrijgesproken in een Schengenstaat, zich binnen de Schengenruimte kan verplaatsen zonder te hoeven vrezen dat hij wegens dezelfde feiten wordt vervolgd in een andere Schengenstaat.

Dit beginsel strekt er evenwel niet toe een verdachte te beschermen tegen de mogelijkheid dat hij in meerdere Schengenstaten het voorwerp uitmaakt van opeenvolgende onderzoeken ter zake van dezelfde feiten. De toepassing van het „ne bis in idem”-beginsel op een beslissing tot beëindiging van het onderzoek die door de rechterlijke autoriteiten van een Schengenstaat is gegeven zonder grondige beoordeling van het aan de verdachte ten laste gelegde wederrechtelijke gedrag, zou duidelijk in strijd zijn met het doel zelf van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, namelijk de bestrijding van criminaliteit, en zou het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten dreigen aan te tasten.

Het Hof heeft bijgevolg geoordeeld dat een beslissing van het openbaar ministerie waarbij de strafvervolging wordt beëindigd en het tegen een persoon gerichte onderzoek definitief wordt afgesloten (zonder dat sancties zijn opgelegd), voor de toepassing van het „ne bis in idem”- beginsel niet als een onherroepelijke beslissing kan worden aangemerkt wanneer uit de motivering van deze beslissing blijkt dat de procedure is beëindigd zonder dat een uitgebreid onderzoek is verricht. Het feit dat het slachtoffer en een eventuele getuige niet zijn gehoord, vormt een aanwijzing dat een dergelijk onderzoek achterwege is gebleven.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF