Hof: In geval van ontneming op basis van kasopstelling heeft vrijspraak geen invloed op hoogte van de ontnemingsvordering

Gerechtshof Amsterdam 18 augustus 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3318

De veroordeelde is bij inmiddels onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2013 in de strafzaak – voor zover hier van belang en kort gezegd – veroordeeld ter zake van het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet en het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet, meermalen gepleegd waarbij het op 24 november 2011 ging om het opzettelijk aanwezig hebben van 1,12 gram van een materiaal bevattende MDMA en op 16 februari 2012 om het opzettelijk aanwezig hebben van 59 tabletten van een materiaal bevattende MDMA alsmede 274 gram hasjiesj.

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 66.334,33. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie deze vordering verlaagd tot een bedrag van € 47.457,38. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal deze vordering verder verlaagd en geschat op een bedrag van € 37.687,--, zijnde ook het bedrag dat in eerste aanleg bij vonnis van 27 augustus 2015 door de rechtbank Amsterdam als betalingsverplichting is opgelegd.

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep waarbij aan de veroordeelde een verplichting tot betaling aan de Staat van € 37.687,-- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is opgelegd en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat dat de derde alinea van rechtsoverweging 4.3.3. niet wordt overgenomen en dat het hof de in hoger beroep gevoerde verweren hierna zal bespreken.

Bespreking van de verweren in hoger beroep gevoerd

De raadsman heeft in hoger beroep bij schrijven van 23 maart 2016 de bezwaren tegen het vonnis waarvan beroep opgegeven en ter terechtzitting de volgende verweren gevoerd.

De raadsman heeft primair aangevoerd dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen, subsidiair dat die vordering dient te worden verminderd omdat niet of onvoldoende aannemelijk is dat het bedrag dat het verschil vormt tussen de geschatte contante uitgaven en de gelden die beschikbaar waren voor het doen van uitgaven, van enig misdrijf of strafbare feiten afkomstig is. Hij heeft daartoe gesteld dat de veroordeelde legale inkomsten had uit verschillende bronnen zoals: prostitutie, rentegelden van contant verstrekte leningen, opbrengsten uit het belenen van sieraden en de verkoop van stimulerende middelen.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende.

De vordering van het Openbaar Ministerie is gebaseerd op artikel 36e, derde lid (oud) Sr. Dit houdt in dat voordeel kan worden ontnomen indien aannemelijk is geworden dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het feit waarvoor zij is veroordeeld, dan wel uit andere strafbare feiten. Anders dan de raadsman aanvoert is enige relatie tussen de feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld en het voordeel niet vereist.

De ontnemingsprocedure kenmerkt zich erdoor dat de bewijslast op redelijke en billijke wijze wordt verdeeld tussen het Openbaar Ministerie en de veroordeelde. Het is aan de veroordeelde concreet en gemotiveerd, en zonodig door bescheiden gestaafd, tegenover de door het Openbaar Ministerie gepresenteerde en op wettige bewijsmiddelen gebaseerde berekeningen aannemelijk te doen worden dat de door het Openbaar Ministerie aannemelijk gemaakte berekening niet juist is. Een enkele bewering is daartoe niet voldoende. Dat de veroordeelde zich begeeft in kringen waar het voeren van een financiële administratie niet gewoon is, komt voor rekening van de veroordeelde en niet voor het Openbaar Ministerie.

Blijkens het Rapport Berekening Wederrechtelijk Verkregen Voordeel Kasopstelling van 20 oktober 2014 is ter berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebruik gemaakt van de methode van de eenvoudige kasopstelling. Daaruit volgt een negatief verschil tussen de uitgaven van de veroordeelde en haar legale inkomsten. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de veroordeelde onvoldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat zij over legale inkomsten heeft kunnen beschikken die het totale verschil rechtvaardigen. De op geen enkele wijze nader onderbouwde stelling dat zij inkomsten had uit “rollenspellen”, geldleningen en de verkoop van stimulerende middelen is daartoe niet voldoende.

Naar het oordeel van het hof is daarmee voldoende aannemelijk geworden dat door de veroordeelde kennelijk andere onbekend gebleven strafbare feiten zijn begaan, die de bron zijn waarmee de uitgaven zijn gefinancierd.

In hoger beroep is de getuige [getuige] ter zitting gehoord. Hij heeft bevestigd dat hij behalve giraal, maandelijks ook contant een bedrag van € 100 tot € 150 aan de veroordeelde betaalde. De veroordeelde heeft verklaard dat zij gemiddeld € 175 per maand van hem ontving. Over een periode van 42 maanden betekent dit dat [getuige] in totaal € 6.300 tot maximaal € 7.350,00 heeft betaald. Met dit bedrag zal het hof evenals de rechtbank in een voor de veroordeelde gunstige zin rekening houden door de uitgaven voor de kosten voor levensonderhoud te beperken tot een bedrag van € 10.706,00. [getuige] heeft voorts verklaard wel te weten dat veroordeelde in de prostitutie heeft gewerkt maar wat voor verdiensten daartegenover stonden, weet hij niet. Aldus heeft de veroordeelde onvoldoende onderbouwd dat zij maandelijks gemiddeld 475 euro verdiende met werk in de prostitutie. Van een ontoelaatbare omkering van de bewijslast is geen sprake.

Anders dan de raadsman heeft bepleit heeft een vrijspraak geen gevolgen voor ontnemingsvorderingen die zijn gebaseerd op een kasopstelling, ook al is de veroordeelde van één of meer ten laste gelegde feiten vrijgesproken omdat deze methode zich richt op de bestedingen die vanuit het voordeel zijn gedaan (en niet op de bron van het voordeel, te weten de gepleegde strafbare feiten).

Het verweer wordt mitsdien in al zijn onderdelen verworpen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^