Hof in eindarrest gebonden aan eerder oordeel van Hof in tussenarrest m.b.t. ontvankelijkheid OM?

Hoge Raad 31 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2801

De dagvaarding in eerste aanleg vermeldt een tweetal feiten, te weten - kort gezegd - mishandeling (feit 1) en mensenhandel (feit 2). De voorzitter van een strafkamer van de rechtbank Den Haag heeft naar aanleiding van een zogenaamd preliminair verweer op 12 april 2013 na beraadslaging het onderzoek gesloten verklaard en onmiddellijk uitspraak gedaan:

“De voorzitter spreekt het vonnis uit en deelt mee dat gelet op het bepaalde in artikel 359a Wetboek van Strafvordering het openbaar ministerie niet-ontvankelijk kan worden verklaard als er tijdens het voorbereidend onderzoek vormen onherstelbaar zijn verzuimd, waardoor sprake is van een doelbewuste en grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat dit in de strafzaak van verdachte het geval is.

Iemand die verdachte is in een strafzaak moet erop kunnen vertrouwen dat iedereen die met het onderzoek in zijn zaak belast is, volstrekt onafhankelijk en met zuiver oogmerk handelt. Dat vertrouwen is onherstelbaar beschadigd door de handelwijze van de betreffende rechercheur.

Dat betekent dat de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaart.(…)”

Tegen dit vonnis heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld en bij akte het beroep ingetrokken voor zover het betrekking heeft op hetgeen verdachte als feit 2 is ten laste gelegd. Blijken het dictum van het arrest van het hof ’s-Gravenhage van 19 december 2013 is het vonnis van de rechtbank vernietigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Het hof verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit en wijst de zaak terug naar de rechtbank Den Haag ter zake van het onder 1 ten laste gelegde, ten einde met inachtneming van het arrest van het hof recht te doen. Ik citeer de motivering van het hof:

“De stelling van de raadsman, inhoudende dat het feit dat het openbaar ministerie heeft berust in de niet-ontvankelijkheidverklaring door de rechtbank ter zake van feit 2, betekent dat het openbaar ministerie tevens niet-ontvankelijk is in de vervolging ter zake van feit 1, vindt geen steun in het recht. Dit onderdeel van het verweer van de raadsman wordt dan ook door het hof verworpen.

Het hof zal thans ingaan op het betoog van de raadsman dat er met betrekking tot feit 1 sprake is van een zodanig vormverzuim dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

Uit de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de toepassing van art. 359a Sv beperkt is tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek. Het begrip 'voorbereidend onderzoek' in art. 359a Sv moet naar het oordeel van het hof restrictief worden opgevat, in die zin dat daaronder het voorbereidend onderzoek tegen een verdachte ter zake van een aan hem ten laste gelegd feit moet worden verstaan en niet een (toevalligerwijs) gezamenlijk onderzoek van meerdere feiten. Voor niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar Ministerie is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

In de onderhavige zaak bestaat het vormverzuim volgens de raadsman uit het feit dat hoofdagent [verbalisant 1] (hierna: [verbalisant 1]) een seksuele relatie is aangegaan met aangeefster [betrokkene 1].

Het hof constateert dat de seksuele contacten tussen [verbalisant 1] en aangeefster blijkens het dossier zijn ontstaan na 6 december 2012, terwijl het voorbereidend onderzoek ten aanzien van feit 1 is aangevangen in juli 2012.

Op 3 juli 2012 heeft [betrokkene 1] op politiebureau Berensteinlaan tegenover verbalisant [verbalisant 2] melding gemaakt van een mishandeling die tegen haar gepleegd was door haar toenmalige vriend [verdachte] (p.50 proces-verbaal), zijnde de verdachte. Op 6 december 2012 heeft [betrokkene 1] op politiebureau Zuiderpark tegenover verbalisant [verbalisant 3] aangifte gedaan van mishandeling door de verdachte (p. 59 proces-verbaal). Pas daarna ontstond bij de politie het vermoeden dat aangeefster slachtoffer zou zijn van mensenhandel en is [verbalisant 1] betrokken geraakt bij het onderzoek.

Nu [verbalisant 1] geen enkele betrokkenheid had bij het afleggen van genoemde verklaringen door [betrokkene 1] op 3 juli en 6 december 2012, is het hof van oordeel dat het gewraakte handelen van [verbalisant 1] niet valt aan te merken als een vormverzuim dat volgens de hiervoor omschreven criteria niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie tot gevolg zou moeten hebben. Het hof zal dan ook het bestreden vonnis vernietigen en het openbaar ministerie ontvankelijk verklaren in de vervolging van verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit.”

Tegen dit arrest van het hof heeft verdachte beroep in cassatie ingesteld. Verdachte is blijkens het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2014 in dat beroep niet ontvangen. De Hoge Raad overweegt dat nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, art. 437, tweede lid, Sv niet in acht is genomen. Een peek derhalve. Ik merk op - de schriftuur van cassatie wijst er eveneens terecht op - dat het indienen van middelen de verdachte niet zou hebben gebaat. Het in art. 428 Sv vervatte concentratiebeginsel laat immers tegen het tussenarrest van het hof niet afzonderlijk beroep in cassatie toe. Dat beroep is wel mogelijk gelijktijdig met de einduitspraak, voor zover tenminste die einduitspraak voortbouwt op de tussenbeslissing.

Na de verwijzing door het hof wees de rechtbank Den Haag op 7 mei 2015 vonnis. De rechtbank overweegt over de ontvankelijkheid van de officier van justitie, voor zover van belang, als volgt:

“De rechtbank overweegt dat het gerechtshof Den Haag bij arrest van 19 december 2013 heeft geoordeeld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van het onderhavige ten laste gelegde feit en de zaak heeft terugverwezen naar de rechtbank Den Haag om ter zake van dit feit met inachtneming van het arrest recht te doen.

De verdediging heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld maar verzuimd tijdig een schriftuur houdende middelen van cassatie in te dienen, hetgeen heeft geleid tot niet- ontvankelijkheid van verdachte in het cassatieberoep. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de nu voorliggende strafzaak door de rechtbank niet kan worden aangewend als een hoger beroep tegen de beslissing van het gerechtshof tot ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie. Nu het gerechtshof het openbaar ministerie ten aanzien van het ten laste gelegde feit alsnog ontvankelijk heeft verklaard, ziet de rechtbank geen mogelijkheid hierover een andersluidend oordeel te vellen.”

Het bestreden arrest bevat de volgende overwegingen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie:

“De raadsman heeft ter terechtzitting in dit hoger beroep opnieuw aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte ter zake van feit 1. Hiertoe overweegt het hof dat de Hoge Raad bij arrest van 2 september 2014 de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn cassatieberoep. Daarmee is het arrest van dit hof van
19 december 2013, bij welk arrest Openbaar Ministerie ontvankelijk is verklaard in de vervolging van de verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit, onherroepelijk geworden.

Derhalve verwerpt het hof het verweer van de raadsman.”
 

Middel

Het eerste middel klaagt er over dat het hof “ten onrechte geen zelfstandig oordeel over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het vervolgingsrecht heeft gevormd en zich gebonden heeft geacht aan eerdere beslissing naar aanleiding van ander onderzoek ter terechtzitting, in een andere samenstelling.”
 

Beoordeling Hoge Raad

Uit de ingevolge art. 415 Sv toepasselijke art. 348 en 358, derde lid, Sv in verbinding met art. 422, eerste lid, Sv vloeit voort dat het Hof de ontvankelijkheid van de Officier van Justitie in zijn vervolging dient te onderzoeken naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting dat tot het bestreden eindarrest heeft geleid, en dat het, indien aldaar namens de verdachte uitdrukkelijk een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie is voorgedragen, daaromtrent bepaaldelijk een beslissing dient te geven in één en dezelfde uitspraak - het eindarrest -waarin over de punten vermeld bij art. 350 Sv wordt beslist (vgl. HR 16 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0220, NJ 1997/121).

Door het ter terechtzitting in hoger beroep van 30 maart 2016 gevoerde verweer met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging te verwerpen op de grond dat "het arrest van dit hof van 19 december 2013, bij welk arrest het Openbaar Ministerie ontvankelijk is verklaard in de vervolging van de verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit, onherroepelijk [is] geworden" heeft het Hof het vorenoverwogene miskend.

Opmerking verdient nog dat de omstandigheid dat het Hof het bestreden arrest heeft gewezen in een andere samenstelling dan waarin het bij arrest van 19 december 2013 de zaak heeft verwezen, te dezen niet van belang is. Evenmin is van belang dat de verdachte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn cassatieberoep tegen dit arrest van 19 december 2013.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF