Artikel: het doen van een valse aangifte of klacht

Een bekend spreekwoord zegt: ‘Onbekend maakt onbemind’. Een afkeer hebben van het onbekende komt niet alleen voor in het dagelijks leven, maar ook bij de toepassing van minder bekende of gebruikte bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht. Eén van die minder bekende bepalingen is art. 188 Sr. Dit artikel stelt sinds 1886 strafbaar het doen van een aangifte of klacht dat een strafbaar feit is gepleegd, wetende dat het niet gepleegd is. In deze bijdrage wordt art. 188 Sr eerst in historisch perspectief neergezet, waarbij gebruik is gemaakt van het proefschrift van G.J. IJssel de Schepper uit 1895. Vervolgens wordt de strafbepaling vanuit ontwikkelingen in rechtspraak en literatuur in het heden geplaatst.

Het lijkt op het eerste gezicht een beetje karig gesteld met (gepubliceerde) rechtspraak over de toepassing van art. 188 Sr. Dat blijkt onder meer uit persberichten van het Openbaar Ministerie over de afgelopen jaren. Hoewel steeds vaker een strafrechtelijke reactie of een schadevergoedingsprocedure volgt op het doen van een valse aangifte en het aantal dagvaardingen met betrekking tot art. 188 Sr vanaf 2001 tot en met 2014 weliswaar gestegen is van 294 naar 446, blijft het aantal gevallen van toepassing op art. 188 Sr redelijk beperkt. Deze bijdrage is bedoeld om meer bekendheid te geven aan art. 188 Sr.

Lees verder:

 

 

 

Print Friendly and PDF