Hof heeft het verzoek twee getuigen te horen afgewezen omdat het dit verzoek onvoldoende gemotiveerd achtte en omdat de noodzaak daartoe niet was gebleken. HR: oordeel niet onbegrijpelijk. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:224 Bij arrest van 3 november 2014 heeft het Gerechtshof Den Haag het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 19 maart 2014 vernietigd ten aanzien van de straf en bevestigd voor het overige. Bij voormeld vonnis is de verdachte veroordeeld wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Het hof heeft daar een gevangenisstraf van 12 weken, met aftrek van het voorarrest voor opgelegd.

In het bevestigde vonnis is nog de volgende bewijsoverweging opgenomen:

“Nadere bewijsmotivering

“Op 22, 23 en 26 november 2013 is de verdachte geobserveerd, toen is gezien dat hij vanuit een auto samen met zijn stiefvader [betrokkene 2] drugs (heroïne en cocaïne) verkocht aan - naar later bleek - respectievelijk [getuige 1], [betrokkene 3] en [getuige 2].

Genoemden [getuige 1] en [getuige 2] hebben de verdachte van een politiefoto ook herkend als hun dealer. Als zij drugs wilden hebben namen zij telefonisch contact met hem op. Dat er sprake was van medeplegen kan worden afgeleid uit het feit dat de verdachte telkens samen met deze [betrokkene 2] optrok in dezelfde auto en na een transactie/ transacties ook weer samen terugkeerden naar het adres van de woning van [betrokkene 2] aan de [a-straat 1] te [woonplaats].

In deze woning zijn tijdens de doorzoeking allerlei drugsgerelateerde voorwerpen gevonden als gripzakjes (met daarop afgebeeld groene dollartekens) en een weegschaal en substanties die bij een indicatieve test scoorden als cocaïne, heroïne en amfetamine. De verklaring van de verdachte dat hij geen wetenschap had van de handel in drugs wordt daarom als onaannemelijk terzijde geschoven.”

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

"Voorts herhaalt de raadsman zijn bij appelschriftuur d.d. 8 oktober 2014 gedane verzoek tot het horen van twee getuigen.

De advocaat-generaal ziet geen aanleiding zijn bij brief d.d. 9 oktober 2014 medegedeelde standpunt te herzien, inhoudende dat het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is en dat de noodzaak tot het horen van de getuigen niet is gebleken en onvoldoende onderbouwd is.

Na beraad deelt de voorzitter als overwegingen en beslissing van het hof het volgende mede.

Het verzoek is niet gedaan bij tijdig ingediende appelschriftuur. Dientengevolge geldt het zogenoemde noodzakelijkheidscriterium. Het hof wijst af het verzoek tot het (doen) horen van de twee getuigen, nu het verzoek onvoldoende gemotiveerd is en ook overigens de noodzaak daartoe niet is gebleken."

Bij gefaxte brief van 8 oktober 2014 heeft de verdediging de advocaat-generaal verzocht om twee getuigen op te roepen voor de zitting van het hof van 20 oktober 2014. De verdediging heeft dit verzoek als volgt toegelicht:

“Cliënt heeft eerder bij de politie gesteld de ten laste gelegde feiten niet te hebben gepleegd. Hij stelt dat de getuigen niet de waarheid hebben gesproken bij de politie en dat nader verhoor zal uitwijzen dat hij de ten laste gelegde feiten niet heeft gepleegd.

Er zijn door de politie 3 “gebruikers/kopers” gehoord. Twee daarvan belasten cliënt.

Getuige [getuige 1] verklaart dat hij zijn drugsdealer genaamd “Snor” had gebeld om cocaïne te kopen pagina 104. De Snor is een Marokkaanse man van ongeveer 40 jaar oud en draagt een snor. Later verklaart hij dat hij ook van [betrokkene 1] koopt. Het telefoonnummer wat [betrokkene 1] zou gebruiken komt niet overeen met het nummer van [verdachte]. Volgens de observanten pagina 111 heeft getuige [getuige 1] de uiterlijke kenmerken van een harddrugsverslaafde. Volgens [getuige 1] zelf gebruikt hij slechts een half jaar en koopt het dat gehele half jaar bij de Snor & [betrokkene 1]. Blijkens de uiteindelijke dagvaarding is de periode door het OM teruggeschroefd naar 4 dagen. Tevens stelt [getuige 1] dat hij 2 gram zou hebben gekocht voor € 80,-- pagina 104. Volgens verbalisant [verbalisant 9] was het slechts 1.3 gram pagina 118. Een ervaren gebruiker zou het verschil wel merken.

De verdediging wenst de getuige [getuige 1] vragen te stellen omtrent de enkelvoudige fotoconfrontatie. Het feit dat hij eerst de Snor aanduidt als zijn drugsdealer en later [betrokkene 1] erbij betrekt Ook over de gestelde periode van een half jaar wenst de verdediging nader vragen te stellen.

Getuige [getuige 2] stelt bij de politie dat hij drugs gekocht heeft van [betrokkene 1] en hij hem gebeld zou hebben op [002]. Vervolgens stelt hij dat zijn dealer een nieuw nummer heeft, [003] genaamd [betrokkene 4]. Beide nummers kunnen niet aan [verdachte] gelinkt worden.

De verdediging heeft vragen aan getuige [getuige 2] omtrent de enkelvoudige fotoconfrontatie en het signalement van zijn dealer. Ook wenst de verdediging hem te vragen te stellen over zijn gebruik, hij stelt immers dat hij de drugs voor zijn vriendin [betrokkene 5] zou hebben gekocht. Kent deze [betrokkene 5] de dealer? Daarnaast stelt hij dat hij voordat hij ging pinnen al de bestelling zou hebben gedaan, zonder te weten of er geld op zijn rekening zou staan.

Om die reden verzoek ik voornoemde getuigen nader op te roepen als getuigen.

[getuige 1] [adres]

[getuige 2] [adres]”

Bij brief van 9 oktober 2014 heef de advocaat-generaal de verdediging laten weten dat hem de noodzaak tot het horen van die getuigen niet is gebleken en dat de verzoeken onvoldoende zijn onderbouwd. De advocaat-generaal heeft geweigerd de getuigen op te roepen.

Ter terechtzitting van 20 oktober 2014 heeft de verdediging het verzoek om het horen van de twee getuigen herhaald. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, in:

“Voorts herhaalt de raadsman zijn bij appelschriftuur d.d. 8 oktober 2014 gedane verzoek tot het horen van twee getuigen.

De advocaat-generaal ziet geen aanleiding zijn bij brief d.d. 9 oktober 2014 medegedeelde standpunt te herzien, inhoudende dat het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is en dat de noodzaak tot het horen van de getuigen niet is gebleken en onvoldoende onderbouwd is.

Na beraad deelt de voorzitter als overwegingen en beslissing van het hof het volgende mede.

Het verzoek is niet gedaan bij tijdig ingediende appelschriftuur. Dientengevolge geldt het zogenoemde noodzakelijkheidscriterium. De hof wijst af het verzoek tot het (doen) horen van de twee getuigen, nu het verzoek onvoldoende gemotiveerd is en ook overigens de noodzaak daartoe niet is gebleken.”

Middel

Het middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd om een met redenen omklede beslissing te geven op het verzoek van de verdediging tot het horen van twee getuigen, althans, dat de beslissing van het hof om dit verzoek af te wijzen niet begrijpelijk is.

Oordeel Hoge Raad

Het Hof heeft het ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek getuige 1 en getuige 2 als getuigen te horen afgewezen omdat het dit verzoek onvoldoende gemotiveerd achtte en omdat ook overigens de noodzaak daartoe niet was gebleken. Mede in aanmerking genomen hetgeen door de verdediging aan dat verzoek ten grondslag is gelegd is dat oordeel niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Conclusie AG Spronken: contrair

 

11. De raadsman heeft de getuigen niet bij tijdig ingediende schriftuur opgegeven, maar later bij afzonderlijke brief van 8 oktober 2014 (door het hof weliswaar aangeduid als “appelschriftuur d.d. 8 oktober 2014”). De getuige is niet opgeroepen door de advocaat-generaal en niet verschenen ter terechtzitting van het hof. De raadsman heeft zijn “bij appelschriftuur d.d. 8 oktober 2014 gedane” verzoek tot het horen van de twee getuigen herhaald ter terechtzitting van hof. Herhaling van een schriftelijk gemotiveerd verzoek, moet mijns inziens worden beschouwd als een gemotiveerd verzoek ter terechtzitting. Gelet op de procesgang tot zover, diende het hof dit verzoek te beoordelen aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. Het hof heeft derhalve de juiste maatstaf gebruikt.

12. Toepassing van het noodzakelijkheidscriterium brengt met zich mee dat een verzoek kan worden afgewezen “op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Van een aldus gemotiveerde afwijzing kan niet worden gezegd dat die ervan blijk geeft dat de rechter op ontoelaatbare wijze is vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren.” In cassatie wordt het oordeel van het hof dat het horen van de verzochte getuigen niet noodzakelijk is op begrijpelijkheid getoetst. Daarbij gaat het om de verhouding tussen enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop dat verzoek is afgewezen.

13. In de onderhavige zaak heeft de verdediging een duidelijk verband gelegd tussen het ten laste gelegde en het verzoek tot het horen van de getuigen. De verdachte heeft het hem ten laste gelegde betwist en een nader verhoor van de getuigen zou volgens de verdediging uitwijzen dat de verdachte het ten laste gelegde niet had gepleegd. De belastende getuigen hebben niet alleen zelf een verklaring afgelegd bij de politie, ze spelen ook een rol in de bevindingen van de verbalisanten. De verdediging heeft op geen enkel moment de gelegenheid gehad om deze getuigen te ondervragen. De relevantie van het verzoek tot het horen van de getuigen spreekt niet uit alle onderdelen van de motivering van dat verzoek, maar is ook zeker niet te ontkennen. De verdediging wilde getuige Knegt vragen waarom hij verdachte heeft genoemd als zijn drugsdealer, terwijl Knegt primair een andere persoon noemde als zijn drugsdealer. De verdediging wilde getuige [getuige 2] kennelijk bevragen over zijn telefonische contacten met zijn drugsdealer, aangezien de telefoonnummers die [getuige 2] daarvoor gebruikte niet in verband konden worden gebracht met verdachte. Voorts wilde de verdediging beide getuigen bevragen over de herkenning van verdachte bij de enkelvoudige fotoconfrontatie. Ten opzichte van deze onderbouwing is de afwijzing van het verzoek – hoewel aan de juiste maatstaf getoetst – uiterst summier en daardoor niet zonder meer begrijpelijk gemotiveerd.

14. Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF