Hetzelfde feit: uitlokking van meineed d.m.v. bedreiging & uitlokking d.m.v. het verschaffen van gelegenheid. Conclusie AG anders.

Hoge Raad 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1686

Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer 13/413939-06 tenlastegelegd dat: "getuige op of omstreeks 15 augustus 2006 te Amsterdam ter terechtzitting van de politierechter als getuige in de zaak tegen verdachte (parketnummer 410057.06), nadat hij in handen van de voorzitter op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed/belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, in elk geval in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde en/of daaraan rechtsgevolgen verbond, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, geheel of ten dele in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - heeft verklaard:

  • de verklaring op papier die de raadsman van verdachte zojuist heeft overgelegd, klopt
  • Ik stond een paar meter van de taxi van verdachte. Ik zat aan de linkerkant van de taxi. Eventueel kan ik via mijn rittenstaat en werkmap aantonen dat ik daar toen was.
  • Ik heb een paar weken later van verdachte gehoord dat hij verdachte was in een strafzaak.
  • Ik weet niet meer wat voor weer het die avond was. Ik had een jas aan en het zal koud geweest zijn. Op de standplaats zien wij collega's en hebben er toen over gesproken. Ik weet niet meer welke kledij de klanten droegen, maar wel het om 3 personen ging.
  • Op vragen van de officier van justitie zeg ik dat ik niets heb gehoord en niet heb gezien dat iemand achter de taxi van verdachte heeft aangerend. Ik weet niet meer of mijn autoraam open stond. Het was op dat tijdstip donker. Ik stond tegenover het hotel op een paar meter afstand.
  • verdachte heeft mij niet eerder gevraagd om te getuigen en ik heb dat ook niet aangeboden
  • Ik heb op die avond zelf een paar minuten gesproken met verdachte, direct nadat hij met de klanten had afgerekend;
  • Ik stond met mijn auto achter de auto van verdachte,

welk feit hij, verdachte op of omstreeks 15 augustus 2006, opzettelijk heeft uitgelokt door een in artikel 47 eerste lid onder 2e van het Wetboek van strafrecht vermeld middel te weten bedreiging, welke bedreiging(en) bestond(en) uit het maken van zogenaamde fluisterbewegingen in de richting van getuige."

Ter terechtzitting van het Hof heeft de Advocaat-Generaal op de voet van art. 313 Sv gevorderd dat de tenlastelegging wordt gewijzigd, in die zin dat deze zou komen te luiden dat:

"getuige op of omstreeks 15 augustus 2006 te Amsterdam ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank te Amsterdam, als getuige in de zaak tegen verdachte verdachte (parketnummer 13/410057-06), nadat hij in handen van de voorzitter op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed/belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, in elk geval in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde en/of daaraan rechtsgevolgen verbond, mondeling, persoonlijk, opzettelijk (een) valse verklaring(en) onder ede heeft afgelegd, immers heeft hij valselijk, geheel of ten dele in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

  • "De verklaring op papier die de raadsman van verdachte zojuist heeft overgelegd, klopt", en/of
  • "Ik stond een paar meter van de taxi van verdachte. Ik zat aan de linkerkant van de taxi. Eventueel kan ik via mijn rittenstaat en werkmap aantonen dat ik daar toen was", en/of
  • "Ik heb een paar weken later van verdachte gehoord dat hij verdachte was in een strafzaak", en/of
  • "Ik weet niet meer wat voor weer het die avond was. Ik had een jas aan en het zal koud geweest zijn. Op de standplaats zien wij collega's en hebben er toen over gesproken. Ik weet niet meer welke kleding de klanten droegen, maar wel het om drie personen ging", en/of
  • "Op vragen van de officier van justitie zeg ik dat ik niets heb gehoord en niet heb gezien dat iemand achter de taxi van verdachte heeft aangerend. Ik weet niet meer of mijn autoraam open stond. Het was op dat tijdstip donker. Ik stond tegenover het hotel op een paar meter afstand", en/of
  • "verdachte heeft mij niet eerder gevraagd om te getuigen en ik heb dat ook niet aangeboden", en/of
  • "Ik heb op die avond zelf een paar minuten gesproken met verdachte, direct nadat hij met de klanten had afgerekend", en/of
  • "Ik stond met mijn auto achter de auto van verdachte. Wij stonden beiden/buiten tegenover het hotel",

welk feit hij, verdachte, op een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 december 2005 tot en met 15 augustus 2006 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van gelegenheid, en/of (een) middel(en), en/of (een) inlichting(en) aan getuige, bestaande die opzettelijke uitlokking hierin, dat hij, verdachte

  • getuige heeft verteld waar de tegen hem, verdachte, aanhangige strafzaak over ging, en/of;
  • getuige heeft verteld wat deze (precies) (ten overstaan van de rechter) moest verklaren, en/of;
  • voor getuige een schriftelijke verklaring heeft opgesteld/heeft geschreven (die hij, getuige, moest ondertekenen en/of die verdachte (vervolgens) aan zijn advocaat en/of aan de rechter heeft overgelegd/laten overleggen." 

De raadsvrouwe van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de vordering van de advocaat-generaal af te wijzen:

"De handelingen die de advocaat-generaal voorstelt aan cliënt ten laste te leggen, betreffen een compleet ander feitencomplex - een compleet andere gedraging - dan de handelingen die in de originele tenlastelegging staan. (...)

Dit betreft een ander handelen, andere gedragingen, zonder verwantschap of zonder enige samenhang met het eerdere feitencomplex waarin cliënt werd verweten dreigende fluisterbewegingen te hebben gemaakt op het politiebureau. Er is sprake van een andere verwijtbaarheid: dreiging 'door fluisterbewegingen' is iets heel anders dan het verstrekken van informatie. Het gaat bovendien om een geheel ander tijdstip en een geheel andere plaats. Het eerdere verwijt had als tijdstip twee dagen na de aanhouding voor meineed op het politiebureau. De huidige tijdspanne bestrijkt een eerder gelegen en veel langere periode en de plaats is onbekend, maar in ieder geval niet het politiebureau.

De verdediging stelt dat de nieuw omschreven gedraging in de vordering wijziging tenlastelegging hierdoor een ander feit in de zin van art. 68 Sr betreft.

Ik vind hiervoor steun in het genoemde arrest van de Hoge Raad van 31 maart 2009 (LJN: BG9179):

Na het uiteenzetten van het beslissingskader overweegt de Raad dat het oordeel van het hof dat sprake is van het zelfde feit niet zonder meer begrijpelijk is en wordt de zaak gecasseerd.

"2.7. Hof heeft in de hiervoor onder 2.5 weergegeven overweging niet duidelijk gemaakt of het van dat beslissingskader is uitgegaan. Bovendien is de overweging van het Hof dat "de gedragingen zoals omschreven in de vordering tot wijziging vallen binnen hetzelfde feitencomplex" als omschreven in de inleidende dagvaarding niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat het in de inleidende dagvaarding onder 2 gaat om het doen van een onjuiste of onvolledige aangifte, terwijl het in de gewijzigde tenlastelegging onder 2 b gaat om het verzuim aangifte te doen."

Ik verzoek u de vordering van de advocaat-generaal af te wijzen."

Het Hof heeft de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen: "Na beraadslaging deelt de voorzitter mede dat de gewijzigde tekst weliswaar een andere periode en plaats behelst, maar dat er niet een zodanig groot verschil is met de tekst van de huidige tenlastelegging dat er sprake is van een ander feit."

Het gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot een voor- waardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een taakstraf voor de duur van 60 uren wegens in de gevallen waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede uitlokken.

Middel

Het middel klaagt over de toewijzing door het Hof van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging.

De steller van het middel betoogt dat het hof een onjuist criterium heeft gehanteerd om te beoordelen of na wijziging van de tenlastelegging nog steeds sprake is van hetzelfde feit, omdat het niets heeft overwogen over de mate van verschil tussen de gedragingen wat betreft de aard en kennelijke strekking daarvan en het tijdstip waarop, de plaats waar en de omstan- digheden waaronder zij zijn verricht. Bovendien is het oordeel van het hof dat sprake is van hetzelfde feit onjuist, althans onbegrijpelijk, want de oor- spronkelijke tenlastelegging ziet op uitlokking door middel van bedreiging op 15 augustus 2006 en de gewijzigde tenlastelegging behelst uitlokking door middel van het verschaffen van gelegenheid, (een) middel(en) en/of inlichtingen in de periode van 23 december 2005 tot en met 15 augustus 2006 te Amsterdam. Daardoor zijn de aard, de kennelijke strekking, het tijdstip, de plaats en de omstandigheden van de gedragingen zodanig verschillend dat niet kan worden gesproken van hetzelfde feit.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van "hetzelfde feit", dient de rechter in de situatie waarop art. 313 Sv ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten te vergelijken. Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.

(A) De juridische aard van de feiten.

Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft

(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delicts- omschrijvingen strekken, en

(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.

(B) De gedraging van de verdachte.

Indien de tenlastelegging en de vordering tot wijziging daarvan niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de om- standigheden waaronder zij zijn verricht.

Uit de bewoordingen van het begrip "hetzelfde feit" vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr. (Vgl. HR 1 februari 2011, LJN BM9102, NJ 2011/394).

De aan de verdachte verweten gedraging is in de tenlastelegging om- schreven als - kort gezegd - uitlokking van meineed door middel van bedreiging op 15 augustus 2006 kennelijk te Amsterdam, en in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging als uitlokking van diezelfde meineed door middel van het verschaffen van gelegenheid, (een) middel(en) en/of (een) inlichting(en) in de periode van 23 december 2005 tot en met 15 augustus 2006 te Amsterdam, althans in Nederland. Zowel de tenlaste- legging als de vordering tot wijziging van de tenlastelegging is toegesneden op art. 47, eerste lid aanhef en onder 2°, in verbinding met art. 207 Sr.

In aanmerking genomen dat het gaat om uitlokking van dezelfde meineed en dat het verschil tussen de omschreven gedragingen wat betreft de aard en de strekking daarvan en de tijd waarop, de plaats waar en de omstan- digheden waaronder zij zijn verricht - alles bijeengenomen - van beperkte betekenis is, geeft het oordeel van het Hof dat door het toewijzen van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging sprake blijft van "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt derhalve.

Conclusie AG Machielse: Contrair

In de oorspronkelijke tenlastelegging wordt de gedraging die verdachte zou hebben verricht om getuige uit te lokken meineed te plegen omschreven als een op een niet nader aangeduide plaats op 15 oktober 2006 gepleegde bedreiging door het maken van zogenaamde fluisterbewegingen in de richting van getuige. De vordering tot wijziging rept helemaal niet meer over bedreiging, maar omschrijft het gedrag van verdachte volledig anders namelijk als het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, gepleegd in de periode van 23 december 2005 tot en met 15 augustus 2006 te Amsterdam, althans in Nederland, doordat verdachte aan getuige zou hebben verteld waar verdachtes strafzaak over ging en wat getuige als getuige moest verklaren en verdachte voor getuige een (kennelijk onware) schriftelijke verklaring zou hebben opgesteld die deze heeft ondertekend en welke vervolgens aan verdachtes advocaat en/of de rechter is overgelegd.

Verdedigbaar is dat de juridische aard van de feiten van de oorspronkelijke tenlastelegging en die van de gewijzigde tenlastelegging zich niet van elkaar onderscheiden, zodat het voor de beoordeling of er nog sprake is van hetzelfde feit neerkomt op een vergelijking van de onderscheiden gedra- gingen van verdachte. Het hof heeft uitdrukkelijk geconstateerd dat de gewijzigde tekst een andere periode en plaats behelst. Het hof heeft niet uitdrukkelijk aandacht besteed aan het verschil tussen de onderscheiden ten laste gelegde gedragingen van verdachte, wat betreft de aard en strekking daarvan en de omstandigheden waaronder ze zijn verricht. Indien het hof ervan is uitgegaan dat deze factoren voor de beoordeling niet relevant zijn, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Als het hof van oordeel was dat er geen aanzienlijk verschil tussen de onderscheiden gedragingen bestond, gelet op alle omstandigheden die in de vergelijking moeten worden betrokken, is dat oordeel zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk.

Dit betekent dat door de wijziging van de tenlastelegging niet langer sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van art. 68 Sr en dat het hof de vordering tot wijziging van de tenlastelegging ten onrechte heeft toegewezen. Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF