Het hof verklaart het bewezen verklaarde (witwassen) niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging

Gerechtshof Den Haag 18 april 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1377

Aan de verdachte is, voor zover thans nog aan de orde, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, ten laste gelegd dat: hij op 14 mei 2009, in de gemeente Rotterdam, althans in Nederland, van een voorwerp, te weten een contant geldbedrag van (in totaal) € 93.063,27 de herkomst en/of de vindplaats heeft verborgen of verhuld, althans dat geldbedrag voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag, geheel dan wel gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Partiële vrijspraak

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal een wijziging tenlastelegging gevorderd die door het hof – met instemming van de verdediging - is toegewezen. De tenlastelegging is aangevuld met het verbergen dan wel verhullen van de herkomst c.q. de vindplaats van het geldbedrag aangetroffen in de woning van de verdachte. De advocaat-generaal heeft betoogd dat de aanvulling van het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft het doen voorkomen dat het geld zijn spaargeld was en een legale herkomst had. Daarnaast heeft de verdachte het geld bewust buiten het bancaire circuit gehouden. De verdachte heeft het voorts niet bekend gemaakt bij de Belastingdienst. Tevens heeft de verdachte het geld op een onopvallende wijze in zijn woning bewaard, namelijk de bankbiljetten in een boodschappentas zonder documentatie, niet gebundeld en niet geteld, weggezet in een gangkast; de munten, geplaatst in een kartonnen doos onder en naast het bed van de verdachte. Voorgaande omstandigheden nopen tot de conclusie dat de verdachte de herkomst c.q. de vindplaats van het ten laste gelegde geldbedrag heeft verborgen en verhuld, aldus de advocaat-generaal.

Naar het oordeel van het hof is er, anders dan de advocaat-generaal heeft aangevoerd, onvoldoende overtuigend bewijs dat de verdachte de herkomst of de vindplaats van het geld heeft willen verhullen of verbergen. De door de advocaat-generaal opgesomde feiten en omstandigheden zijn niet aan te merken als gedragingen die (kennelijk) zijn gericht geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. Van verbergen of verhullen van de vindplaats van het geld – daargelaten of dit zou kunnen leiden tot de kwalificatie witwassen – is in casu naar het oordeel van het hof evenmin sprake. Het hof acht dit onderdeel van het onder 4 ten laste gelegde derhalve niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 14 mei 2009, in de gemeente Rotterdam een contant geldbedrag van in totaal € 93.063,27 voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag, geheel dan wel gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Strafbaarheid

De advocaat-generaal heeft, kort weergegeven, betoogd dat ten aanzien van de verdachte in zijn algemeenheid wel een gronddelict bekend is, maar niet concreet, welke plaats en welke periode, waardoor het gronddelict niet bewezen kan worden verklaard en er geen gevaar bestaat voor dubbele vervolging van zowel het gronddelict als het delict witwassen. Hij stelt dat het gevolg hiervan dient te zijn dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond gepasseerd moet worden.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen ter zake van het door de politierechter onder 1 en 3 bewezen verklaarde, te weten het meermalen aanwezig hebben van hennep, blijkt dat de verdachte zich bezig hield met hennepteelt. De verdachte ontkent dan ook niet langer dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit door de verdachte zelf gepleegde misdrijven, aldus de raadsvrouw. De raadsvrouw betoogt dat het voorhanden hebben van dit geld door de verdachte weliswaar bewezen kan worden verklaard, doch op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad niet gekwalificeerd kan worden als witwassen.

Het hof is van oordeel dat de stelling van de advocaat-generaal geen steun vindt in de rechtspraak van de Hoge Raad en dient te worden verworpen.

Nu de verdachte vrijgesproken is van het verbergen en verhullen van de herkomst en de vindplaats van het geldbedrag en slechts het enkele voorhanden hebben van het geldbedrag bewezen is verklaard, dient de verdachte – in het licht van vaste rechtspraak van de Hoge Raad, te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu het bewezen verklaarde niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.

Conclusie

Het hof verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezen verklaar- de niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsver- volging.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF