Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte rechtspersoon ten onrechte de term “accountancy” op haar briefpapier heeft gebruikt

Gerechtshof Den Haag 20 januari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:47

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte rechtspersoon ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 1.800,- met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte rechtspersoon is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Verweren

Door de raadsvrouw is namens de verdachte rechtspersoon ter terechtzitting in hoger beroep, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Primair stelt de verdediging met een beroep op het bepaalde in artikel 70 Wetboek van Strafrecht dat het recht op strafvervolging is verjaard en dat het openbaar ministerie dan ook niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard. Met het voeren van de naam Account–Service is immers begonnen in 1989. Het “onrechtmatig” titelgebruik is gedurende 22 jaren gedoogd. Nu geen stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden, is er sprake van verjaring na ommekomst van een periode van 6 jaar vanaf 1989, aldus de raadsvrouw.

Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de verdachte rechtspersoon van rechtsvervolging ontslagen dient te worden. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de beroepsgroep (het hof begrijpt: van registeraccountants en accountants-administratieconsulenten) door handhaving van het verbod te verlangen een concurrent uitschakelt hetgeen maatschappelijk niet acceptabel is. Handhaving van het verbod betekent voor de verdachte rechtspersoon schade en dat is een zwaarwegend belang, en dat geldt niet voor de beroepsgroep wanneer de verdachte rechtspersoon de bedoelde naam blijft voeren.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het beroep op verjaring dient te worden verworpen. Het strafbare feit als ten laste gelegd moet worden gezien als een voortdurend delict. Van verjaring kan slechts sprake zijn voor zover het de periode betreft langer geleden dan 3 jaar voordat de vervolging een aanvang heeft genomen. Nu als pleegperiode in de tenlastelegging is opgenomen de periode van 14 september 2011 tot en met 19 september 2011, kan van verjaring geen sprake zijn. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging.

Van ontslag van rechtsvervolging kan slechts sprake zijn ingeval een bewezen verklaard feit niet strafbaar is of ingeval een dader niet strafbaar is. In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd kan het hof geen onderbouwing vinden waarom op een van deze beide gronden tot ontslag van rechtsvervolging als hiervoor bedoeld zou moeten worden overgegaan. Het beroep op ontslag van rechtsvervolging dient dan ook te worden verworpen.

Bewijsoverweging

Niet ter discussie staat dat de verdachte rechtspersoon in de naam de bewoordingen “account-service” hanteert en dat de naam “Account-Service [naam rechtspersoon]” is vermeld in het kantoorpand op de in de tenlastelegging aangeduide plekken, dat deze naam vermeld is op de in de tenlastelegging aangeduide bescheiden en als handelsnaam is vermeld in het uittreksel van de Kamer van Koophandel. Tevens kan worden vastgesteld dat het briefpapier van de verdachte rechtspersoon onder de hiervoor omschreven benaming vermeldt: “Accountancy – Administratieve dienstverlening – Belastingen – Organisatie”.

Tenslotte staat vast dat bij de verdachte rechtspersoon geen personen werkzaam waren die ingeschreven waren in de registers als bedoeld in de Wet Accountants-Administratieconsulenten en de Wet op de Registeraccountants.

Artikel 41 lid 1 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten verbiedt, tenzij men ingeschreven is in een van de beide hiervoor genoemde registers, om de naam accountant zonder nadere toevoeging dan wel in enige samenstelling of afkorting, anders dan die van registeraccountant of Accountant-Administratieconsulent te voeren dan wel zich zodanig te gedragen dat daardoor bij het publiek de indruk moet worden gewekt dat men tot het voeren van die benaming gerechtigd is.

Onder verwijzing naar HR 25-1-2000 LJN AA4576 stelt het hof vast dat de aanduiding “accountancy” zozeer overeenstemt met en associaties wekt met de benaming “accountant” dat redelijkerwijs bij het publiek de indruk moet worden gewekt dat men tot het voeren van die benaming gerechtigd is en dat daaraan niet kan afdoen dat de Engelstalige term accountancy een brede strekking heeft en mede omvat werkzaamheden die ook mogen worden verricht door anderen dan degenen die gerechtigd zijn de benaming accountant te voeren.

Dit betekent dat de op het briefpapier opgenomen vermelding “Accountancy – Administratieve dienstverlening – Belastingen – Organisatie” een overtreding van het in artikel 41 lid 1 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten neergelegde verbod inhoudt.

Naar het oordeel van het hof geldt dit niet ten aanzien van de in de benaming van de verdachte rechtspersoon opgenomen bewoordingen “account-service”. Deze bewoordingen staan naar het oordeel van het hof te ver af van de term accountant om te kunnen concluderen dat bij het publiek de hiervoor omschreven indruk moet worden gewekt. Ten aanzien van dat onderdeel dient dan ook vrijspraak te volgen.

Bewezenverklaring

Het bewezen verklaarde levert op: Handelen in strijd met het bepaalde in artikel 41, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten, begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van € 500.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF