(Gewoonte)witwassen: girale inkomsten uit een fictieve arbeidsovereenkomst. Verbeurdverklaring mogelijk ook indien geen beslag op grond van art. 94 Sv.

Rechtbank Den Haag 12 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:12178

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim twee jaar schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Hij heeft zich via een fictieve arbeidsverhouding voorzien van ruim € 30.000 aan ogenschijnlijk legale girale inkomsten om betalingen te kunnen verrichten die moeilijk anders dan giraal kunnen worden voldaan. Daarnaast heeft verdachte in deze periode een zeer luxe leven geleid waarin diverse dure auto’s werden gekocht of geleased en waarin een vakantiehuis met zwembad werd betaald met geld dat van misdrijf afkomstig is geweest. De gelden die nog in de woning aanwezig waren meegerekend heeft verdachte in de bewezenverklaarde periode een bedrag van bijna € 200.000 aan crimineel vermogen in zijn woning verborgen gehad, dan wel uitgegeven.

Verbeurdverklaring

Verbeurdverklaring € 36.800

Op de beslaglijst is opgenomen een bedrag van € 36.800 dat is aangetroffen in de woning. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat van dit bedrag € 32.250 aan verdachte toebehoorde. Nu dit geldbedrag een voorwerp is met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde feit gewoontewitwassen zal de rechtbank dit geldbedrag verbeurdverklaren. Ten aanzien van de rest van het geldbedrag, te weten € 4.550, gelast de rechtbank de teruggave aan de rechthebbende, te weten de zoon van verdachte, naam 1.

Verbeurdverklaring € 30.500,-

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van loon dat de verdachte heeft gekregen van onderneming 1 in het kader van feit 1. Dit betreft geld dat door het Openbaar Ministerie niet op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in beslag is genomen.

Uit de wet noch uit de jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2015:3689 onder 3.4.2) volgt dat verbeurdverklaring slechts mogelijk is ten aanzien van een voorwerp dat reeds in beslag is genomen (op grond van art. 94 Sv). Integendeel, gelet op artikel 34 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dat juist ziet op verbeurdverklaring van een niet inbeslaggenomen voorwerp. Voorts is geld (contant of giraal) volgens vaste jurisprudentie een voorwerp in de zin van artikel 33a Sr dat voor verbeurdverklaring vatbaar is.

Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat verbeurdverklaring in onderhavige zaak niet mogelijk is. Uit de wet en uit de (voormelde) jurisprudentie volgt namelijk dat verbeurdverklaring slechts mogelijk is ten aanzien een voorwerp waarop hetzij beslag ex artikel 94 Sv rust, hetzij een voorwerp betreft dat door de verdachte kan worden uitgeleverd als er geen beslag op rust (tweede lid van artikel 34 Sr). Kort gezegd, het voorwerp moet “fysiek” (elektronisch inbegrepen) nog aanwezig zijn. Voor die gevallen waarin dat niet mogelijk is – bijvoorbeeld omdat een voorwerp is vervreemd of omdat geld is uitgegeven – heeft de wetgever de ontnemingsprocedure in het leven geroepen.

In het onderhavige geval volgt uit het dossier noch uit de verklaring van de verdachte dat hij het betreffende geld thans nog contant of giraal voorhanden heeft, zodat geen uitlevering ex artikel 34 Sv kan worden gevorderd. De rechtbank concludeert dan ook dat het geld niet voor verbeurdverklaring vatbaar is.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly and PDF