Gevangenisstraf van 38 maanden wegens feitelijk leidinggeven aan BTW-carrouselfraude

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 juni 2013, LJN CA3403

Verdachte heeft zich met zijn bedrijf gedurende een periode van bijna anderhalf jaar in georganiseerd verband beziggehouden met een grootscheepse omzetbelasting carrouselfraude. Verschillende bedrijven in andere landen van de Europese Unie fungeerden hierbij als zogenoemde ‘ploffers’ die de in rekening gebrachte BTW niet afdroegen aan de fiscus. Andere bedrijven in de keten hebben omzetbelasting teruggevraagd van de belastingdienst in het vestigingsland, terwijl daarop geen recht bestond omdat van een daadwerkelijke handel in mobiele telefoons geen sprake was. Binnen dit georganiseerd verband werd door het bedrijf van verdachte meermalen aangiften Omzetbelasting onjuist en onvolledig ingediend. Verdachte heeft hieraan feitelijke leiding gegeven. Daarnaast heeft verdachte als directeur en feitelijke leidinggever van het bedrijf niet een dusdanige administratie gevoerd als werd vereist ingevolge de fiscale regelgeving.

Verdachtes aandeel in het geheel van de BTW-carrousel bestond in ieder geval uit het ten behoeve van deze fraude gebruiken van zijn bedrijf, het onderhouden van contacten met (zogenaamde) leveranciers en afnemers en het vaststellen van prijzen van mobiele telefoons. Verdachte vervulde daarbij een belangrijke rol, nu door zijn bedrijf op papier grote partijen mobiele telefoons werden doorverkocht waarbij werd aangegeven dat het om intracommunautaire leveringen ging. Door het handelen van verdachte werd het mogelijk gemaakt om de BTW-carrousel draaiende te houden. Uit de vier, door de opsporingsambtenaar Van Rij onderzochte ketens volgt dat telkens de eerste betaling voor de leveringen door het bedrijf van verdachte werd verricht, zodat het bedrijf voor in ieder geval deze reeks betalingen als initiator van de carrousel kan worden beschouwd. Dit wordt bevestigd door het gegeven dat telkens een groot deel van de winst aan het bedrijf toekomt.

Het betreft hier zeer ernstige feiten, waarbij, gelet op de hoge omzet van het bedrijf in 2005 en 2006 van bijna 1,8 miljard euro, het de bedoeling is geweest de verschillende lidstaten van de Europese Unie door middel van de carrouselfraude voor minimaal tientallen miljoenen (zo niet honderden miljoenen) euro’s te benadelen. Daarbij merkt het hof op dat de Nederlandse Staat op deze manier (indirect) ook is benadeeld en schade heeft geleden, nu een gedeelte van de in de Europese Unie geheven BTW dient om de eigen middelen van de Europese Unie te financieren en de Nederlandse Staat in de door BTW-fraude veroorzaakte “tekorten” van de EU moet meebetalen.

Naar het oordeel van het hof komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in de door de eerste rechter opgelegde en in hoger beroep door de advocaat-generaal gevorderde straf. Het hof is van oordeel dat op grond van het vorenstaande niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, alsmede met de mate waarin het bewezen verklaarde schade teweeg heeft gebracht. Een schuldigverklaring zonder strafoplegging of een voorwaardelijke gevangenisstraf al dan niet in combinatie met een onvoorwaardelijke werkstraf, zoals door de raadsman bepleit, doet naar het oordeel van het hof volstrekt geen recht aan de ernst van de feiten. Het hof verwijst in dit kader ook nog naar de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS waaruit blijkt dat bij een fraude van 1 miljoen euro of meer een gevangenisstraf in aanmerking komt van 24 maanden of meer.

Uit de omstandigheid dat het bedrijf hoge winsten behaalde binnen de carrousel en in ieder geval bij vier ketens is vastgesteld dat het bedrijf daar de eerste betaling heeft verricht zou de conclusie getrokken kunnen worden dat verdachte een zeer belangrijke rol binnen de carrouselfraude heeft gespeeld. Het hof heeft echter onvoldoende aanwijzingen om vast te stellen welke rol verdachte precies heeft gehad in het geheel. Overigens is artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht niet ten laste gelegd. Het hof zal daarom de voorgenomen langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf matigen. Voorts heeft het hof ten voordele van verdachte in aanmerking genomen dat hij - blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 mei 2013 - in Nederland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Aan de andere kant betrekt het hof ten slotte ook nog verdachtes ontkennende houding ter terechtzitting, waaruit het afleidt dat verdachte het strafwaardige van zijn gedrag kennelijk niet inziet en daarvoor geen verantwoordelijkheid wil dragen.

Tenslotte is de overschrijding van de redelijke termijn voor het hof aanleiding om de gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden die het hof voornemens was op te leggen te matigen met vier maanden vermindering tot 38 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF