Geslaagd beroep op grond van artikel 27 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie

Rechtbank Leeuwarden 23 januari 2013, LJN BZ8760

Procesverloop 

Op 6 juli 2012 is namens veroordeelde bij akte beroep ingesteld tegen de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een aan veroordeelde door de rechtbank te Espoo (Finland) op 23 november 2010 opgelegde beslissing tot confiscatie van € 1.000.000.

Motivering 

Het beroep is ingesteld op grond van artikel 27 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (tot 1 november 2012 de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties 2008).

Bij een aanschrijving Europese confiscatiebeslissing van 2 juli 2012 heeft het Centraal Justitieel Incassobureau veroordeelde meegedeeld dat de in Finland opgelegde confiscatiebeslissing is erkend en door het CJIB wordt geïnd. Op 6 juli 2012 is tegen de beslissing tot erkenning bij akte beroep ingesteld bij de rechtbank te Leeuwarden.

Bij de behandeling in raadkamer is door de raadsman een aantal preliminaire verweren gevoerd, waaronder het verweer dat de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging niet door de daartoe bevoegde autoriteit is genomen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit de stukken blijkt dat het CJIB niet alleen de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging heeft bekend gemaakt, maar die beslissing ook heeft genomen, terwijl de daartoe bevoegde autoriteit, de officier van justitie, geen enkele bemoeienis daarmee heeft gehad.

Standpunt OvJ

De officier van justitie heeft bestreden dat de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging niet door de bevoegde autoriteit is genomen. De officier van justitie heeft erop gewezen dat het CJIB op grond van het Uitvoeringsbesluit WWETGC de officier van justitie ondersteunt bij zijn taken met betrekking tot de WWETGC en dat in de Aanwijzing executie nader is vastgelegd dat het CJIB onder meer is belast met de beoordeling van de weigeringsgronden. Het CJIB heeft hierbij geen beleidsvrijheid.

De officier van justitie heeft verder uitgelegd dat in werkoverleggen tussen de officier van justitie en het CJIB de officier van justitie wordt geïnformeerd over de zaken die zijn erkend. Zaken waarin onduidelijkheid is of waarin zich gronden voordoen voor opschorting van de erkenning of tenuitvoerlegging, worden ter beoordeling aan de officier van justitie voorgelegd. De onderhavige beslissing tot erkenning is conform dit kader afgehandeld en de officier van justitie is tijdens een werkoverleg geïnformeerd.

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 4 van de WWETGC is vastgelegd dat de officier van justitie bij het parket te Leeuwarden bevoegd is tot erkenning en tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat van de Europese Unie opgelegde beslissing tot confiscatie. Het is voorts aan de officier van justitie te beoordelen of bepaalde weigeringsgronden aan de erkenning en tenuitvoerlegging in de weg staan (artikelen 24, 24a en 25 WWETGC). Gelet op het standpunt van de officier van justitie is de vraag aan de orde of de officier van justitie de beoordeling of sprake is van weigeringsgronden en of de confiscatiebeslissing kan worden erkend kan overlaten aan het CJIB, zoals blijkbaar de gebruikelijke gang van zaken is.

De rechtbank acht de werkwijze van de officier van justitie en het CJIB in strijd met de hiervoor genoemde wettelijke regeling.

Het tijdens een werkoverleg informeren van de officier van justitie over reeds door het CJIB genomen beslissingen tot erkenning, kan niet gelijkgesteld worden met een door de officier van justitie gedane beoordeling van de weigeringsgronden en de erkenning. De rechtbank verwijst hierbij naar de Memorie van Toelichting waarin staat: "De officier van justitie te Leeuwarden wordt aangewezen als bevoegde autoriteit, maar de afhandeling is een gezamenlijke taak van die officier van justitie en het CJIB. Het CJIB ontvangt en registreert de inkomende confiscatiebeslissingen en gaat na of de toegezonden documenten juist en (volledig) ingevuld zijn. Is dat het geval, dan stuurt het CJIB de beslissing aan de officier van justitie te Leeuwarden. Hoewel het beginsel van wederrechtelijke erkenning en tenuitvoerlegging weinig ruimte laat voor een uitgebreide toetsing, zal de officier van justitie moeten nagaan of de beslissing kan worden erkend en of er zich een grond voor opschorting van de erkenning of tenuitvoerlegging voordoet. Erkent de officier van justitie de beslissing tot confiscatie, dan zal het CJIB verder voor tenuitvoerlegging zorg dragen.

Hieruit volgt dat het CJIB een postbus- en controlefunctie heeft en belast is met de tenuitvoerlegging, maar dat de beoordeling of de confiscatiebeslissing kan worden erkend dient plaats te vinden door de officier van justitie.

De Aanwijzing executie, waaruit volgens de officier van justitie zou blijken dat het CJIB belast is met onder meer de beoordeling van de weigeringsgronden, leidt niet tot een ander oordeel. De Aanwijzing executie houdt in: "Europese geldelijke sancties en Europese confiscatiebeslissingen worden door centrale autoriteiten uit Europese lidstaten rechtstreeks aan het CJIB gestuurd. Het CJIB controleert de ontvangen documenten bij de sanctie op volledigheid en kan aanvullende documenten c.q. informatie opvragen om zodoende de weigeringsgronden voor erkenning en executie in Nederland te kunnen beoordelen."

Hierin staat alleen dat het CJIB controleert of op grond van de ontvangen stukken en informatie een beoordeling van de weigeringsgronden kan plaatsvinden en zo niet, dat zij die ontbrekende stukken of informatie opvraagt, een en ander ter voorbereiding op de - door de officier van justitie te nemen - vereiste beslissingen.

Nu de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging niet door de daartoe bevoegde autoriteit is genomen en derhalve geen sprake is van een erkenning in de zin van de WWETGC, is het ingestelde beroep in zoverre gegrond.

De officier van justitie kan dit verzuim herstellen door zelf te beoordelen of weigeringsgronden aanwezig zijn en de buitenlandse beslissing tot confiscatie moet worden erkend. Om een herhaling van zetten te voorkomen, zal de rechtbank nu tevens ingaan op het herhaalde verzoek van de raadsman tot het aan de stukken toevoegen van een vertaling van de in de Finse taal gestelde beslissing tot confiscatie.

Uit de Memorie van Toelichting komt naar voren dat de hoofdregel is dat de beslissing tot confiscatie niet behoeft te worden vertaald in de officiële taal van de uitvoerende lidstaat. Geen van de door de raadsman aangevoerde argumenten maakt dat in de onderhavige zaak daarvan moet worden afgeweken.

De raadsman heeft allereerst aangevoerd dat in dit geval niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel maar daarin wordt hij niet gevolgd. Het moge zo zijn dat de Finse officier van justitie in 2010 heeft toegezegd dat veroordeelde niet zal worden vervolgd voor deelname aan een criminele organisatie, maar nu is gebleken dat veroordeelde hiertoe later zelf toestemming heeft gegeven, valt niet in te zien dat de Finse officier van justitie heeft gehandeld in strijd met het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Er is dus geen aanleiding in deze procedure het interstatelijke vertrouwensbeginsel opzij te schuiven, laat staan dat dit vertaling van het Finse vonnis noodzakelijk maakt.

Anders dan de raadsman stelt, is op grond van het (in de Engelse taal opgestelde) certificaat, waarin is opgenomen dat sprake is van veroordeling voor de feiten 1 tot en met 6, in samenhang beschouwd met de daarbij als bijlage gevoegde (eveneens in de Engelse taal opgestelde) tenlastelegging voldoende duidelijk voor welke feiten met welke pleegplaatsen veroordeelde is veroordeeld. Of bij de beoordeling van de weigeringsgronden al dan niet van de op (de bijlage bij) het certificaat vermelde pleegplaatsen is uitgegaan, is een vraag die bij een eventuele inhoudelijke beoordeling van een beroep tegen een beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging aan de orde kan komen, maar voor het beantwoorden van die vraag is uiteraard geen vertaling van het vonnis nodig.

Wat betreft de verruimde confiscatiebevoegdheid kan worden uitgegaan van hetgeen daarover is vermeld op het certificaat. Het is niet aan de officier van justitie (of de rechtbank bij een eventueel beroep tegen een beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging) om dit aan de hand van de inhoud van het buitenlandse vonnis inhoudelijk te toetsen.

Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat een vertaling van het buitenlandse vonnis noodzakelijk is om te kunnen toetsen of sprake is van schending van het beginsel van ne bis in idem. De raadsman stelt dat de Finse ontnemingsmaatregel berekend is aan de hand van het aantal kilo's verdovende middelen, terwijl alle zes transporten van verdovende middelen in beslag zijn genomen. Volgens de raadsman wordt op deze wijze wederrechtelijk voordeel ontnomen dat veroordeelde nooit heeft verkregen, waardoor geen sprake meer is van een maatregel, maar van dubbele bestraffing. Dit verweer komt in feite erop neer dat de Finse rechtbank onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd bij de vaststelling van de ontnemingsmaatregel. De gevangenisstraf en de ontnemingsmaatregel zijn door dezelfde rechtbank in hetzelfde vonnis opgelegd. Of de Finse rechter daarbij het ontnemingsbedrag juist heeft berekend, mag de officier van justitie (of de rechtbank bij een eventueel beroep tegen een beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging) niet inhoudelijk beoordelen. Ook dit levert derhalve geen noodzaak op tot vertaling van het Finse vonnis.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het stellen van prejudiciële vragen op dit punt niet aan de orde.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF