Generalis-specialis verhouding tussen artikel 225 Sr en artikel 231 lid 2 Sr

Rechtbank Overijssel 7 juli 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:4403

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van een vervalst identiteitsbewijs. Verdachte was, voorafgaand aan het overhandigen van het vervalste identiteitsbewijs aan zijn werkgever, reeds een aantal weken als vrachtwagenchauffeur werkzaam, terwijl hij wist dat hij geen (geldig) rijbewijs in zijn bezit had. 

Met betrekking tot feit 1 onder parketnummer 08/102888-16 voert de raadsvrouw aan dat het primair en het subsidiair tenlastegelegde zich tot elkaar verhouden als specialis en generalis waarbij het subsidiair tenlastegelegde een specialis is ten opzichte van het primair tenlastegelegde. De raadsvrouw verwijst hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Limburg d.d. 07 maart 2016 waarin de politierechter heeft overwogen dat artikel 231 lid 2 Wetboek van Strafrecht sinds de laatste wijziging van dat artikel moet worden beschouwd als een logische specialis van artikel 225 Sr. De raadsvrouw merkt op dat in onderhavige zaak eveneens sprake is van zo’n situatie. Doordat artikel 231 Sr een specialis vormt ten opzichte van artikel 225 Sr, is er sprake van een situatie als bedoeld in artikel 55, tweede lid, Sr en geldt de regel dat de bijzondere bepaling van artikel 231 Sr de werking van de algemene bepaling van artikel 225 Sr uitsluit. De raadsvrouw voert hierbij aan dat wanneer de politierechter tot een bewezenverklaring van feit 1 mocht komen, enkel het subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden.

De politierechter overweegt als volgt. 

Artikel 231 lid 2 Sr dient sedert de laatste wijziging van dat artikel te worden beschouwd als een logische specialis van artikel 225 Sr. Hoewel dat vóór die wijziging anders was, heeft de wetgever uitdrukkelijk bedoeld te bepalen dat die logische specialiteit bestaat en dat ook andere identiteitsbewijzen dan reisdocumenten onder de werking van artikel 231 Sr zouden worden gebracht. Dat volgt uit de wetsgeschiedenis. In de Memorie van Toelichting bij die wetswijziging (wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de verbetering van de aanpak van fraude met identiteitsbewijzen en wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Beginselenwet justitiële inrichtingen en de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in verband met de verbetering van de regeling van de identiteitsvaststelling van verdachten en veroordeelden) valt te lezen:

Zoals blijkt uit de jurisprudentie, kan naar huidig recht artikel 231 Sr niet als specialis in de zin van artikel 55, tweede lid, Sr ten opzichte van artikel 225 Sr worden aangemerkt. De Hoge Raad heeft in 1997 hierover overwogen dat nu het bij artikel 231, eerste lid, Sr voorziene misdrijf niet alle bestanddelen bevat van het bij artikel 225, eerste lid, Sr strafbaar gestelde feit, terwijl in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten zijn te vinden voor de opvatting dat artikel 231 Sr ten opzichte van artikel 225 Sr niettemin moet worden beschouwd als een bijzondere strafbepaling, het aan het openbaar ministerie vrijstond de tenlastelegging toe te snijden op artikel 225 Sr. Nu als gevolg van dit wetsvoorstel artikel 231 Sr alle delictsbestanddelen van artikel 225 Sr zal bevatten plus een aantal extra bestanddelen die zijn toegesneden op vervalsing van reisdocumenten, erkende identiteitsbewijzen en andere identiteitsbewijzen die afgegeven zijn door diensten of organisaties van vitaal of nationaal belang, kan de stelling worden verdedigd dat artikel 231 Sr, als dit wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking is getreden, ten opzichte van artikel 225 Sr als een bijzondere bepaling moet worden aangemerkt en dat dientengevolge straks bij vervalsing van deze identiteitsbewijzen of reisdocumenten de werking van artikel 225 Sr is uitgeschakeld.

Doordat artikel 231 een specialis vormt ten opzichte van artikel 225 Sr, is er sprake van een situatie als bedoeld in artikel 55, tweede lid, Sr en geldt de regel dat de bijzondere bepaling van artikel 231 Sr de werking van de algemene bepaling van artikel 225 Sr uitsluit. Voor het strafmaximum maakt dat geen verschil, maar wel voor de inhoud van de tenlastelegging en de kwalificatie van het strafbare feit.

De politierechter concludeert op grond van het bovenstaande dat krachtens artikel 55 lid 2 Sr de onder 1 primair bewezenverklaarde handeling van verdachte niet kan worden gekwalificeerd. Dit betekent dat de verdachte ten aanzien van het primaire tenlastegelegde onder feit 1 (parketnummer 08/102888-16) dient te worden ontslagen van rechtsvervolging.

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly and PDF