Geen vervolging voor directeur ‘t Hofnarretje: geen vervulling van het voor functioneel daderschap relevante beschikkingsvereiste ten aanzien van de verboden gedraging

Gerechtshof Amsterdam 15 mei 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1769

Achtergrond

Op 7 december 2010 is M aangehouden op verdenking van seksueel misbruik van een aan zijn zorg toevertrouwd kind. In het uitgebreide politieonderzoek met de naam 13DOK, dat naar aanleiding van zijn aanhouding plaatsvond, is de verdenking gerezen dat M veel kinderen seksueel had misbruikt en dat dit misbruik voor het merendeel plaats had gevonden in een of meer vestigingen van kinderdagverblijf ’t Hofnarretje, alwaar M als peuterleider werkzaam was.

Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 april 2013 is M terzake van een groot aantal gevallen van seksueel misbruik veroordeeld tot gevangenisstraf en TBS.

Op 12 december 2010 is R, eveneens werkzaam bij het kinderdagverblijf ’t Hofnarretje, in het kader van het politieonderzoek met de naam 13Siwa aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 248d van het Wetboek van Strafrecht. Er is onderzoek gedaan naar door hem gepleegd seksueel misbruik van kinderen. Hiervan is echter niet gebleken, zodat hij ten aanzien daarvan niet strafrechtelijk is vervolgd.

Vervolgens is op verzoek van de hoofdofficier van justitie een onderzoek ingesteld naar mogelijke, strafrechtelijk relevante, betrokkenheid van beklaagde, directeur van ‘t Hofnarretje. Dit onderzoek is op 13 december 2010 van start gegaan.

In het kader van dit onderzoek zijn naast M, R en beklaagde zelf, de directieleden van ‘t Hofnarretje, een groot aantal (ex)-werknemers en ook ouders van kinderen die bij ’t Hofnarretje werden opgevangen, gehoord. De uit de verhoren of anderszins naar voren gekomen informatie en aanwijzingen zijn nader uitgediept. Voorts is onderzoek verricht naar het arbeidsverleden van beklaagde en zijn ex-collega’s van beklaagde gehoord; ook is onderzoek verricht naar eventuele signalen die er op zouden kunnen duiden dat beklaagde pedoseksuele gevoelens zou hebben.

Door de burgemeester van Amsterdam is een onafhankelijke onderzoekscommissie (hierna: Commissie Gunning) aangesteld met als doel te onderzoeken hoe het seksuele misbruik in de verschillende kinderdagverblijven heeft kunnen plaatsvinden en hoe in de toekomst de veiligheid van kinderen op kinderdagverblijven beter kan worden gewaarborgd. De onderzoeksresultaten van de Commissie Gunning zijn neergelegd in het Rapport onafhankelijke Commissie Onderzoek Zedenzaak Amsterdam van 21 januari 2011. Ook dit rapport is bij het strafrechtelijk onderzoek betrokken.

Op 23 mei 2011 heeft mr. Korver namens een groot aantal personen aangifte gedaan tegen beklaagde. In deze aangifte is verzocht strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar beklaagde als eigenaar en directeur van kinderdagverblijf ‘t Hofnarretje in Amsterdam in verband met het door M en/of R (aldaar) jegens kinderen gepleegde seksueel misbruik. Tevens is aangifte gedaan van valsheid in geschrift door beklaagde.

Het openbaar ministerie heeft blijkens een brief aan mr. Korver van 22 november 2011 besloten ter zake van voormeld misbruik geen strafrechtelijke vervolging in te stellen tegen beklaagde, noch als natuurlijk persoon noch als leidinggevende van een rechtspersoon. Het openbaar ministerie heeft eveneens besloten geen strafrechtelijke vervolging in te stellen tegen de (voormalige) rechtspersoon ‘t Hofnarretje wegens voormeld misbruik.

Bij ambtsbericht van 23 juli 2012 heeft het openbaar ministerie aan het hof bericht dat beklaagde dan wel de (voormalige) rechtspersoon ‘t Hofnarretje ten aanzien van valsheid in geschrift niet strafrechtelijk zullen worden vervolgd.

Tegen deze beslissingen van het openbaar ministerie om beklaagde niet strafrechtelijk te vervolgen heeft mr. Korver namens klagers een klaagschrift, zoals bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, ingediend.

Tijdens de beklagprocedure heeft het hof aanleiding gezien nader onderzoek te doen verrichten, waarvan de uitkomst hierna zal worden besproken, en zijn klagers en beklaagde in de gelegenheid gesteld hun standpunt met betrekking tot het beklag nader toe te lichten, hetgeen is gebeurd op respectievelijk 13 november 2013 en 17 maart 2014.

Standpunt beklaagde

Beklaagde en zijn gemachtigden hebben zich op het standpunt gesteld dat het beklag op alle punten dient te worden afgewezen.

Ten aanzien van de door klagers gestelde strafbare betrokkenheid van beklaagde bij het seksueel misbruik door M en/of R is betoogd dat uit het dossier op geen enkele wijze naar voren komt dat beklaagde wetenschap had of wetenschap had moeten of kunnen hebben van het misbruik, nu vaststaat dat dit op zeer geraffineerde wijze plaatshad.

Evenmin kan ten aanzien van de rechtspersoon ‘t Hofnarretje functioneel daderschap van beklaagde worden vastgesteld, nu niet is voldaan aan de vereisten van beschikkingsmacht en aanvaarding, de in de jurisprudentie voor functioneel daderschap geformuleerde criteria.

Ten aanzien van de beschuldiging van valsheid in geschrift kan beklaagde vanwege zijn op punten gebrekkige bedrijfsvoering in civielrechtelijk opzicht wellicht worden verweten dat hij niet aan zijn maatschappelijke zorgplicht heeft voldaan, een strafrechtelijk verwijt kan hem te dien aanzien echter niet worden gemaakt.

Standpunt OM

Door de aangevers is gesteld dat beklaagde en/of ’t Hofnarretje strafrechtelijk verantwoordelijk zijn voor het door M gepleegde misbruik. Deze verantwoordelijkheid zou strafrechtelijk mogelijk kunnen worden vertaald naar medeplegen, dan wel medeplichtigheid. Eventueel zou er sprake kunnen zijn van functioneel daderschap.

De hoofdofficier van justitie heeft het ambtsbericht onder meer als volgt overwogen:

Functioneel daderschap

Vastgesteld zou kunnen worden dat de bedrijfsvoering van ‘t Hofnarretje tot gevolg heeft gehad dat het voor M gemakkelijk is geweest om zich met kinderen af te zonderen. Het is goed mogelijk dat de omstandigheid dat niemand binnen de organisatie alert was op de mogelijkheid van seksueel misbruik van kinderen heeft bijgedragen aan de gelegenheid voor M om het misbruik te plegen. Hierbij moet overigens wel de kanttekening worden geplaatst dat M ook bij kinderdagverblijven met een strakkere bedrijfsvoering meerdere mogelijkheden heeft gecreëerd voor het plegen van seksueel misbruik.

Betoogd kan worden dat beklaagde als directeur van een groot kinderdagverblijf in zijn algemeenheid alert had moeten zijn op de mogelijkheid van seksueel misbruik. Hij had hierover duidelijke instructies moeten geven aan zijn medewerkers en hij had interne veiligheidsmaatregelen moeten treffen. Dit klemt te meer nu beklaagde in het verleden zelf geconfronteerd is geweest met insinuaties ter zake van het plegen van seksueel misbruik op een kinderdagverblijf. Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat de bedrijfsvoering van beklaagde en/of ‘t Hofnarretje (ook) op deze punten te wensen overliet.

Van vervulling van het voor functioneel daderschap relevante beschikkingsvereiste ten aanzien van de verboden gedraging is evenwel geen sprake.

Eigenmachtig en onbevoegd optreden van een werknemer biedt doorgaans ook geen basis voor functioneel daderschap.

Het Openbaar Ministerie heeft voorts gemeend dat niet is voldaan aan het aanvaardingsvereiste. Hetgeen over de feitelijke gang van zaken is vastgesteld wijst er immers niet op dat beklaagde en/of ‘t Hofnarretje seksueel misbruik hebben aanvaard of pleegden te aanvaarden. Reeds hiervoor werd vastgesteld dat niet is komen vast te staan dat beklaagde en/of de directie van ‘t Hofnarretje wetenschap hadden of hadden moeten hebben van het door M gepleegde misbruik. De reacties op de incidenten uit 2008 en 2009 wijzen er bovendien veeleer op dat de beklaagde en de directie van ‘t Hofnarretje grensoverschrijdend gedrag richting kinderen niet accepteerden. Indien beklaagde en/of de directie van ‘t Hofnarretje wel de zorg zouden hebben betracht die van een redelijk handelend bestuurder van een kinderdagverblijf mag worden verwacht ter voorkoming seksueel misbruik, dan is geenszins evident dat daarmee ook de strafbare feiten van M zouden zijn voorkomen.

In de onderhavige zaak zijn de strafbare feiten door de bijzondere drijfveren en de modus operandi buitengewoon nauw verbonden met de persoon van M. Toerekening van deze feiten aan beklaagde en/of ‘t Hofnarretje is ook om deze reden niet redelijk.

Verstrekken van referenties

In het voorgaande ligt reeds besloten dat beklaagde en/of ’t Hofnarretje geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de positieve referenties die zij (mogelijk) over M hebben gegeven aan derden. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat er ten aanzien van beklaagde en ‘t Hofnarretje onvoldoende is gebleken van feiten en omstandigheden die leiden tot een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van enige vorm van deelneming aan het seksueel misbruik door M. Niet kon worden vastgesteld dat beklaagde en/of ’t Hofnarretje wetenschap hadden of hadden moeten hebben van het door M gepleegde misbruik. Evenmin kon worden vastgesteld dat beklaagde en/of ‘t Hofnarretje dit misbruik hebben aanvaard. Het misbruik was daarnaast zodanig specifiek en persoonsgebonden van aard dat dit in redelijkheid niet aan derden kan worden toegerekend.

Het Openbaar Ministerie is met aangevers en in navolging van de Commissie Gunning van oordeel dat de bedrijfsvoering van ‘t Hofnarretje zeer te wensen overliet. Mede door de wijze van bedrijfsvoering heeft M naar eigen zeggen de mogelijkheden gehad vele kinderen gedurende langere tijd seksueel te misbruiken. De gebrekkige bedrijfsvoering heeft, om de hierboven uiteengezette redenen, echter niet tot gevolg dat de beklaagde en/of ‘t Hofnarretje ten aanzien van het seksueel misbruik in strafrechtelijke zin een verwijt kan worden gemaakt. Er is derhalve ter zake van dit misbruik geen strafvervolging ingesteld tegen de beklaagde en/of ‘t Hofnarretje.

De advocaat-generaal heeft in voormeld nader verslag van 8 juli 2013 onder meer als volgt overwogen:

Aan de rapporten en het reviewverslag kan niet de conclusie worden verbonden dat beklaagde wetenschap had of had moeten hebben van het door M gepleegde misbruik. De rapporten en het reviewverslag wijzen er evenmin op dat beklaagde het seksuele misbruik heeft aanvaard of pleegde te aanvaarden. Hoewel de bedrijfsvoering en dan met name het toezicht, zoals ook uit de rapporten van de GGD volgt, niet optimaal was, is eerder al geconcludeerd dat door de GGD geconstateerde tekortkomingen werden opgelost en dat beklaagde op meldingen heeft gereageerd. Het reviewverslag bevestigt dat beklaagde op het incident uit 2008 actie heeft ondernomen: beklaagde is in gesprek gegaan met M en de betrokken ouders, heeft aan de ouders voorgesteld de kinderen op een andere locatie onder te brengen, heeft de pedagogisch adviseur ingeschakeld die op haar beurt melding van het incident heeft gemaakt bij het AMK en het AMK om advies heeft gevraagd en er is gesproken met de Zedenpolitie.

Het incident uit 2008 levert, ook in onderlinge samenhang met de overige in het ambtsbericht van 11 april 2012 beschreven situaties, niet op voorhand dusdanige vermoedens van seksueel misbruik op dat hierdoor bij beklaagde aanleiding had moeten ontstaan verdergaande maatregelen dan voornoemde te nemen. Daarbij is tevens van belang de constatering dat uit onderzoek achteraf niet is gebleken dat de in voornoemd ambtsbericht vermelde situaties, waaronder het incident uit 2008, omtrent het gesignaleerde gedrag van M, situaties betreffen waarin sprake was van seksueel misbruik.

Maar zelfs als zou komen vast te staan dat beklaagde onvoldoende adequaat op de melding betreffende het incident uit 2008 heeft geacteerd, bijvoorbeeld omdat hij alerter op mogelijk misbruik had moeten zijn of verdergaand onderzoek had moeten (laten) instellen, dan nog is dat onvoldoende om de bewustheid van beklaagde van het seksueel misbruik door M aan te nemen. Bovendien is het, gelet op de geraffineerde wijze waarop M te werk ging, nog maar zeer de vraag of het misbruik door M bij een optimale bedrijfsvoering volledig vermeden had kunnen worden.

Ik onderschrijf ten slotte de conclusie van de plv hoofdofficier van justitie dat het mede toerekenen van het seksueel misbruik aan beklaagde niet redelijk zou zijn.

Op grond van al het hiervoor overwogene moet het antwoord op de vraag of beklaagde en/of de (voormalig) rechtspersoon ‘t Hofnarretje in strafrechtelijke zin medeverantwoordelijk is/zijn voor de strafbare feiten gepleegd door M ontkennend zijn.

Het oordeel van het hof

In deze beklagprocedure dient het hof te beoordelen of het openbaar ministerie de zaak op goede gronden heeft geseponeerd en, indien dit niet het geval is, te beoordelen of strafvervolging van beklaagde, gelet op de omstandigheden van dit geval, opportuun is.

Voor wat betreft het standpunt van het openbaar ministerie om beklaagde niet strafrechtelijk te vervolgen ter zake van strafbare betrokkenheid bij het seksueel misbruik door M en/of R, verwijst het hof naar de passages uit het ambtsbericht en het nader verslag.

Het hof ziet op basis van het dossier in deze zaak en in hetgeen door klagers in het klaagschrift en tijdens de behandelingen in raadkamer is aangevoerd alsmede in de nadere onderzoeksresultaten en de verklaring van beklaagde in raadkamer, geen aanleiding om tot een ander oordeel dan het openbaar ministerie te komen.

Het hof neemt de beschouwingen van het openbaar ministerie, zoals hiervoor weergegeven, over en maakt deze tot de zijne.

Het is het hof gebleken dat zorgvuldig en uitgebreid onderzoek is verricht naar mogelijke betrokkenheid van beklaagde bij het grootschalig gepleegd seksueel misbruik. Uit het dossier komt naar voren dat daartoe vele getuigen, soms meermalen, zijn gehoord en dat aanwijzingen of vermoedens die zouden duiden op enige mate van betrokkenheid van beklaagde diepgaand feitelijk zijn onderzocht. Het standpunt van klagers dat onvoldoende onderzoek is verricht en dat verdenkingen in de richting van beklaagde onvoldoende zijn nagetrokken deelt het hof dan ook niet, nu dit feitelijke grondslag mist.

Het hof is er zich van bewust dat de Amsterdamse zedenzaak veel onrust en in het bijzonder bij ouders van kinderen die in beklaagdes kinderdagverblijven werden opgevangen, woede, onzekerheid en verdriet heeft teweeggebracht. Het is begrijpelijk dat bij klagers het gevoel leeft dat beklaagde op enigerlei wijze aansprakelijk zou moeten worden gehouden voor het gepleegde misbruik in kinderdagverblijven waarvoor hij als directeur verantwoordelijkheid droeg. Een kinderdagverblijf is immers een plaats alwaar de veiligheid van kinderen te allen tijde zou moeten zijn gewaarborgd.

Het hof heeft zich echter te beperken tot de vraag of zodanige aanwijzingen bestaan dat, indien hetgeen beklaagde heeft gedaan of nagelaten ter beoordeling aan de strafrechter zou worden voorgelegd, een reële kans op bewezenverklaring zou bestaan. Het uitgangspunt bij de beantwoording van die vraag is wat op grond van de stukken van het onderliggende dossier en hetgeen in deze beklagprocedure verder naar voren is gekomen, objectief bezien kan worden vastgesteld of na aanvullend onderzoek nog zou kunnen worden vastgesteld.

Het hof is van oordeel dat in het in deze verrichte onderzoek al het redelijkerwijs mogelijke is gedaan. Geen onderdeel van het onderzoek, noch het resultaat van al het onderzoek in onderling verband en samenhang beschouwd, heeft concreet bewijs opgeleverd op grond waarvan naar verwachting zal kunnen worden vastgesteld dat sprake is van enige mate van strafbare betrokkenheid van beklaagde.

Voor nader onderzoek ontbreken aanknopingspunten.

Derhalve is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie op goede gronden heeft besloten om de zaak te seponeren.

Het hof tekent daarbij aan dat het oordeel dat niet te verwachten valt dat een strafrechter tot veroordeling van beklaagde zal komen, geen oordeel inhoudt met betrekking tot een mogelijk burgerrechtelijke aansprakelijkheid.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF