Geen rechtsgevolg verbonden aan overschrijden redelijke termijn in ontnemingszaak door strafvermindering wegens de redelijke termijnoverschrijding in h.b. in de gelijktijdig berechte hoofdzaak

  Hoge Raad 14 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:946

Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 8 april 2013 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 3.449,94 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

Middel

Het middel bevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een namens de betrokkene gevoerd verweer met betrekking tot de redelijke termijn.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 maart 2013 heeft de raadsman van de betrokkene aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"Vordering wederrechtelijk verkregen voordeel

(...)

Gelet op de verzochte vrijspraak, verzoek ik u deze vordering af te wijzen.

Mocht u tot een veroordeling komen, refereert de verdediging zich aan uw oordeel, met dien verstande dat ook hier geldt dat de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM is overschreden. In de ontnemingszaak is op 3 januari 2011 hoger beroep ingesteld.

Bij het verbinden van rechtsgevolgen aan een overschrijding van de redelijke termijn is vermindering van het te betalen bedrag in de regel aangewezen. Cliënt verzoekt u dan ook hieraan het rechtsgevolg te verbinden dat het te betalen bedrag wordt gematigd."

Aldus is een verweer gevoerd waaromtrent het Hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing had moeten geven. Aangezien zodanige beslissing in de bestreden uitspraak niet voorkomt, klaagt het middel daarover terecht.

Tot cassatie behoeft dat niet te leiden reeds omdat de Hoge Raad tot het oordeel komt dat met de constatering van de termijnoverschrijding kan worden volstaan, en wel op grond van het volgende. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak (in cassatie aanhangig onder nummer 13/02123), die door het Hof gelijktijdig met de onderhavige ontnemingszaak is berecht en waarin het tijdsverloop gelijk is geweest, is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden. In de strafzaak heeft de Hoge Raad de gevangenisstraf van 36 maanden, gelet op die overschrijding van de redelijke termijn, met 2 maanden verminderd. Gelet daarop is er geen aanleiding om in de onderhavige ontnemingszaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF