Fraude in paardenvleesexport: Daderschap van de rechtspersoon en feitelijk leidinggeven

Rechtbank Oost-Brabant 16 juni 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:3109

Na overdracht van een startproces-verbaal op 24 juli 2012 is het onderzoek Binnendieze gestart dat zich richtte op onder meer:

  • het opzettelijk vervalsen van paardenpaspoorten;
  • het slachten en laten slachten van paarden voor de humane consumptie die niet geschikt zijn voor humane consumptie;
  • het in de humane handel brengen van vlees dat daarvoor niet geschikt is.

Tijdens een overleg bij het Productschap Vee en Vlees (hierna PVE) is het signaal geuit dat met name bij slachtplaatsmedeverdachte Vlees in Den Dungen grote aantallen paarden werden geslacht en dat het PVE diverse onregelmatigheden had vastgesteld in de administratieve verwerking hiervan.

Het was verbalisant, informatierechercheur van de Nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit bekend geworden dat vanaf medio maart 2012 door de vennootschap wekelijks paarden ter slachting werden aangeboden bij voormelde slachtplaats.

Het na de slacht verkregen vlees werd door verdachte aan bedrijf in Italië verkocht.

Over het vraagstuk van het daderschap van de rechtspersoon overweegt de rechtbank als volgt.

Blijkens de wetsgeschiedenis kan een rechtspersoon ingevolge artikel 51 Wetboek van Strafrecht worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Of een (verboden) gedraging redelijkerwijs kan worden toegerekend aan de rechtspersoon, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval en de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt is dat de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Zoals de officier van justitie en ook de raadsman hebben verwoord is hiervan sprake indien zich een of meer van de volgende omstandigheden voordoen:

  • het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
  • de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
  • de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;
  • de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.

Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Verdachte is op 1 januari 2002 opgericht en de vennoten zijn gelijkelijk bevoegd. Volgens het uittreksel Kamer van Koophandel betreffen de activiteiten “africhtstal en handelstal in paarden”.

In de inleiding heeft de rechtbank vastgesteld dat vanaf medio maart 2012 door verdachte wekelijks paarden ter slachting werden aangeboden bij voormelde slachtplaats. Verder staat vast dat verdachte in de periode vanaf augustus 2011 een groot aantal paarden liet slachten bij slachterijmedeverdachte, en dat het slachten van paarden de overige handelsactiviteiten in toenemende mate overtrof.

Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat het de beide vennoten, de verdachte, zelf waren die de paarden tezamen met de door henzelf vervalste paardenpaspoorten aanboden bij slachterijmedeverdachte aan de keuringsarts met het doel de paarden te laten slachten voor menselijke consumptie. Kortom, het zijn de vennoten zelf die de aan verdachte verweten gedragingen telkens hebben verricht. Deze gedragingen zijn verdachte dienstig geweest en deze pasten in de normale bedrijfsvoering. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze gedragingen zijn toe te rekenen aan de rechtspersoon. De omstandigheid dat de registratie van de bedrijfsactiviteiten in het Handelsregister geen melding maakt van het slachten van paarden doet er niet aan af dat het slachten van paarden ten tijde van de verweten gedragingen pasten in de normale bedrijfsvoering zoals die feitelijk plaatsvond.

Het zijn aldus de beide vennoten, de verdachte, zelf geweest die de paarden tezamen met de door henzelf vervalste paardenpaspoorten aanboden aan de keuringsarts met het doel de paarden te laten slachten voor menselijke consumptie en zij hebben de aan vennootschap verweten gedragingen telkens verricht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt.

Uit de bewijsmiddelen en de verklaring van verdachte ter terechtzitting volgt dat de rol van verdachte ten opzichte van zijn medeverdachte broernaam 11 niet zodanig beperkt of ondergeschikt was dat ten aanzien van verdachte niet gesproken kan worden van het feitelijk leiding geven aan de verboden gedraging. In dit verband kan (onder meer) gewezen worden op de rol van verdachte rondom de in het dossier beschreven gang van zaken rondom het aangetroffen (valse) medische inlegvel van het paard naam 12, de inwisselbare rollen die verdachte met zijn medeverdachte broernaam 11 – aldus de diverse als getuigen gehoorde keuringsdierenartsen - speelde bij de aanbieding van de paarden ter keuring alsmede de telefoontapgesprekken, waaruit van een actieve bemoeienis van de verdachte blijkt om het onderzoek te frustreren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF