Falende klachten over het betrekken van andere strafbare feiten bij de strafoplegging en verbazingwekkende straf

Hoge Raad 23 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:956

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte voor mishandeling (feit 1 en 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar, waaraan het hof een bijzondere voorwaarde heeft verbonden. 

De opgelegde straf heeft het hof aldus gemotiveerd:

"Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich in de eerste plaats schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn nicht [slachtoffer 1].

Verdachte heeft op 11 september 2012 verklaard dat [slachtoffer 1] een moeilijk kind is voor haar moeder. [slachtoffer 1] is helemaal ontspoord en heeft van alles uitgehaald. 'Wij als familie hebben alleen steeds willen proberen om haar weer op het goede pad te krijgen (...) [slachtoffer 1] accepteert dit kennelijk niet' (einddossier pag. 34).

Volgens het reclasseringsadvies d.d. 27 november 2012, opgesteld door [betrokkene 1], heeft verdachte verteld dat [slachtoffer 1] zich thuis opstandig is gaan gedragen, ze was ongehoorzaam, is van huis weggelopen, ze heeft seksuele relaties met oudere mannen gehad en is alcohol en drugs gaan gebruiken. Haar gedrag was zo problematisch dat ze onder meer een periode naar haar vader in Irak is gestuurd. Deze interventies hebben echter volgens verdachte niet de gewenste gedragsverandering bewerkstelligd (reclasseringsadvies, pag. 4).

[betrokkene 2], een oudere zuster van [slachtoffer 1], heeft op 12 september 2012 verklaard dat de neefjes [familie van verdachte], onder wie de verdachte [verdachte], vinden dat zij afgaan ten opzichte van de Islamitische gemeenschap doordat zij ([betrokkene 2]) en haar zus zich 'westers' gedragen. [slachtoffer 1] zou door de neefjes gedwongen zijn om een langere periode naar Irak te gaan; als ze dat niet zou doen, zou ze worden doodgemaakt. Zelf is zij, [betrokkene 2] regelmatig door verschillende neefjes [familie van verdachte] mishandeld omdat ze zich niet gedroeg als een Islamitisch meisje, reden waarom zij in Amsterdam is gaan wonen. Voorts heeft [betrokkene 2] verklaard dat zij enkele dagen geleden telefonisch van haar moeder heeft gehoord dat zij een gesprek had gehad met een neef die vertelde dat de aangifte tegen [verdachte] moest worden ingetrokken, anders zouden [slachtoffer 1] en [betrokkene 2] dood gemaakt worden; hier in Nederland hoefde men daar toch maar acht jaren voor te zitten (einddossier, pag. 56-57).

[betrokkene 3], de moeder van [slachtoffer 1] en [betrokkene 2], heeft op 10 september 2012 verklaard dat ze een paar dagen geleden een gesprek heeft gehad met haar neef [betrokkene 4] een broer van [verdachte]. [betrokkene 4] heeft haar gevraagd om te doen alsof er niets gebeurd was. Hij beloofde dan dat de neefjes [slachtoffer 1] met rust zouden laten. Als dit niet zou gebeuren dan zouden [slachtoffer 1] en [betrokkene 2] geen leven meer hebben. 'Ik zeg dit nu in andere woorden, omdat ik die andere woorden niet wil gebruiken.' (einddossier, pag.54-55).

[slachtoffer 1] heeft op 4 september 2012 verklaard dat haar neef [verdachte] haar eerder heeft mishandeld en bedreigd met de dood - waarvan zij aangifte heeft gedaan - en dat zij uit Weert, waar zij bij haar moeder woonde, is vertrokken uit angst voor haar neef. 'Ik weet dat hij mij dood wil hebben en dat hij meent wat hij zegt.' (einddossier, pag. 40). In het kader van haar eerdere aangifte, gedaan op 27 september 2011, heeft [slachtoffer 1] op 20 december 2011 verklaard: '[verdachte] en ook zijn broers willen de baas over mij spelen, maar dat pik ik niet. (...) Ik ben niet zoals [verdachte] denkt dat ik zou moeten zijn. [verdachte] is daarin traditioneel. Hij wil niet dat ik een vriendje heb of uitga, drink of drugs gebruik.' (einddossier, pag. 29).

Uit dit alles rijst het beeld op dat verdachte zich intensief heeft bemoeid met de leefwijze en de gedragingen van [slachtoffer 1], die hij sterk afkeurde, en dat in dit kader, in ieder geval volgens [slachtoffer 1] en haar zus [betrokkene 2], ernstige bedreigingen en fysiek geweld niet geschuwd werden. Uit het onderhavige incident blijkt dat verdachte zich zonder concrete aanleiding op zijn initiatief verbaal en fysiek agressief tegen [slachtoffer 1] heeft gedragen en dat na de aangifte van [slachtoffer 1] een broer van de verdachte ernstig bedreigende taal heeft geuit tegen de moeder van [slachtoffer 1]. Dit laatste maakt plausibel dat voordien ook krachtige taal is gebruikt met betrekking tot [slachtoffer 1].

Op 4 september 2012 is het tot een uitbarsting gekomen toen verdachte [slachtoffer 1] tegen kwam bij het station in Weert. Naast het uiten van (doods)bedreigingen en beledigingen en het bespugen van haar heeft hij haar bij haar mond vastgepakt, haar keel dichtgeknepen en haar tegen een muur geduwd. [slachtoffer 1] vreesde hierdoor voor haar leven en is op een schandelijke manier te kijk gezet en beledigd.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 2], toen deze op het perron haar vriendin [slachtoffer 1] te hulp wilde schieten. Ook haar heeft hij de keel dichtgeknepen.

Het hof acht dit ernstige feiten. De ervaring leert dat slachtoffers nog lang last kunnen houden van de psychische gevolgen van een dergelijke gebeurtenis. Dat dit in de onderhavige zaak ook het geval is, blijkt wel uit het door [slachtoffer 1] ingediende schadeonderbouwingsformulier en de ter terechtzitting in hoger beroep gegeven toelichting op haar vordering als benadeelde partij. Niet alleen heeft zij tijdens het delict doodsangsten uitgestaan, ook daarna heeft zij psychische klachten aan het gebeurde overgehouden, waarvoor zij onder behandeling is geweest. Zij heeft haar HAVO-opleiding hierdoor twee jaar moeten stilleggen en is, om verdachte te ontlopen, naar Amsterdam gevlucht. Daarnaast zorgen feiten als de onderhavige voor gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.

Uit het door de reclassering opgemaakte voorlichtingsrapport d.d. 27 november 2012 blijkt dat als verdachte zich in situaties onheus bejegend voelt, hij impulsief kan reageren en onmiddellijk op verbaal of fysiek agressieve wijze de confrontatie kan aangaan.

Voorts blijkt uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 3 juni 2014 dat verdachte in het verleden meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten.

Verdachte heeft verklaard dat het enige dat hij wilde, was [slachtoffer 1] op de juiste weg te helpen door met haar te praten (einddossier, pag. 63). Hij verklaart niet waarom dat op 4 september 2012 meteen ontaarde in fysiek geweld, doodsbedreigingen en spugen. Hij lijkt het incident te bagatelliseren en niet doordrongen te zijn van de ernst ervan.

Gelet op het vorenstaande en op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd, omdat daarin onvoldoende tot uitdrukking komt dat verdachte de grenzen van het toelaatbare in vergaande mate heeft overschreden. Verdachte moet voor eens en altijd duidelijk worden gemaakt dat zijn gedrag niet wordt geaccepteerd.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer 1] draagt daar eveneens aan bij. Anders dan de advocaat-generaal, acht het hof het niet zinvol om als bijzondere voorwaarde tevens op te leggen ambulante behandeling gericht op emotiehantering, omdat de onderhavige delicten niet zozeer lijken te zijn voortgekomen uit zijn onvermogen om met emoties om te gaan, maar meer uit zijn opvattingen over behoorlijk gedrag van vrouwen.

Het hof acht het evenmin zinvol om aan verdachte, op de voet van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht, reclasseringstoezicht op te leggen enkel met het oog op de naleving van het op te leggen contactverbod. Een zodanig toezicht zal dus niet worden opgelegd. Om die reden is de thans in artikel 14c, eerste lid, b, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen voorwaarde dat de verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht niet van toepassing.

Met betrekking tot het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf overweegt het hof dat het ongewenst is indien de gevangenisstraf door middel van elektronische detentie, een in het algemeen als milder dan een gevangenisstraf ervaren vorm van straf, ten uitvoer zou worden gelegd. Daarom zal het hof adviseren dat de gevangenisstraf niet op die wijze ten uitvoer mag worden gelegd."

Middel

Het eerste middel klaagt over de strafmotivering en valt in twee onderdelen uiteen. In de eerste plaats wordt aan het hof tegengeworpen dat het bij de strafoplegging heeft betrokken dat verdachte nog andere strafbare feiten zou hebben gepleegd, terwijl verdachte deze heeft ontkend. In de tweede plaats wekt de strafmaat verbazing gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting en de LOVS-afspraken.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO. 

Conclusie AG

Het middel stelt dat aan verdachte in feite in deze motivering wordt verweten dat hij nog een aantal andere strafbare feiten zou hebben gepleegd, te weten bedreiging en mishandeling en dat deze feiten mede de straf hebben bepaald, terwijl zij niet door verdachte zijn erkend.

Kennelijk doelt de steller van het middel hier op het standpunt van de Hoge Raad dat het aan de rechter vrij staat om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit

"- wanneer het gaat om een ad informandum gevoegd feit en - in een geval als het onderhavige waarin de verdachte ter terechtzitting is verschenen - op grond van de door de verdachte ten overstaan van de rechter die de straf oplegt gedane erkenning, aannemelijk is geworden dat hij dat feit heeft begaan en ervan mag worden uitgegaan dat het openbaar ministerie geen strafvervolging ter zake van dat feit zal instellen, of

- wanneer dit feit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is begaan, dan wel

- wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte." 

Vermoedelijk stelt het middel zich op het standpunt dat buiten de hier door de Hoge Raad aangeduide categorieën er geen gevallen zijn waarin de rechter met niet tenlastegelegde feiten rekening kan houden bij de straftoemeting en dat de onderhavige zaak niet in een der genoemde categorieën is onder te brengen.

De rechtspraak van de Hoge Raad kent vele vernietigingen van veroordelingen op grond van mankementen in de strafoplegging gerelateerd aan de laatste categorie, wanneer de strafmotivering verwijst naar onherroepelijke veroordelingen waarvoor in het aan de Hoge Raad terbeschikkinggestelde dossier geen aanknopingspunt is te vinden.

Wil het strafbaar feit waaraan in de strafmotivering wordt gerefereerd, kunnen gelden als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is begaan – de tweede door de Hoge Raad aangewezen categorie -, dan moet de motivering wel duidelijk maken welk verband bestaat tussen het strafbaar feit dat in de strafmotivering figureert en het strafbaar feit waarvoor verdachte wordt veroordeeld. Te denken is aan een veroordeling voor een verwaarlozingsdelict met de dood van een jong kind als gevolg, waarbij in de strafmotivering er ook nog op wordt gewezen dat verdachten het lijkje daarna nog twee weken in de schuur hebben verstopt, waardoor het onderzoek naar de oorzaak van het overlijden is bemoeilijkt.

Maar de Hoge Raad voelt er kennelijk niet voor de grenzen van deze categorie te eng te trekken. In dat verband wijs ik op HR 22 september 2009, ECLI:2009:BI5668, waarin verdachte is veroordeeld voor een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, gepleegd op 25 oktober 2006 jegens een medewerker van een opvangcentrum waarin verdachtes dochter verbleef. In een bewijsoverweging wees het hof erop dat een andere medewerkster van het opvangcentrum heeft verklaard dat zij zelf in september 2006 door verdachte telefonisch is bedreigd. In de strafmotivering overwoog het hof onder meer dat het bij het bepalen van de opgelegde straf erop heeft gelet dat verdachte door zijn dreigementen heeft getracht de jeugdhulpverlening onder druk te zetten om anders te handelen dan zij in het belang van verdachtes dochter dienstig achtte. In cassatie werd er over geklaagd dat het hof – getuige het gebruik van het meervoud ‘dreigementen’ – bij de strafmotivering had betrokken dat verdachte ook nog een ander had bedreigd, terwijl dat feit niet was tenlastegelegd en door verdachte is ontkend. De Hoge Raad overwoog dat

"het Hof met de aangevallen overweging kennelijk [doelt] op de omstandigheid dat het bewezenverklaarde feit is gepleegd in het verband van verdachtes conflictueuze relatie met de jeugdhulpverlening, met wier handelwijze hij het niet eens was. De desbetreffende overweging is daarom een nadere uitwerking van de door het Hof in aanmerking genomen en uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gebleken omstandigheden waaronder de verdachte zich aan het bewezenverklaarde heeft schuldig gemaakt. In zoverre faalt het middel."

Dezelfde weg zou hier kunnen worden bewandeld. De toespelingen van het slachtoffer en haar zus op eerdere mishandelingen en dreigementen van de kant van verdachte en zijn broers jegens hen zijn te beschouwen als elementen die de achtergrond van het bewezenverklaarde inkleuren en de sfeer schetsen waarin volgens het slachtoffer het bewezenverklaarde geplaatst moet worden. Het hof heeft uit de verklaring van het slachtoffer, haar zus en moeder afgeleid dat verdachte en zijn broers de vrouwen onder sterke druk zetten om hun leven in overeenstemming met de regels van de islam in te richten. In deze uitleg gaat het om omstandigheden waaronder verdachte zich aan het bewezenverklaarde heeft schuldig gemaakt.

De tweede klacht van het eerste middel stelt dat de strafoplegging van zeven maanden gevangenisstraf waarvan twee maanden voorwaardelijk, verbazingwekkend is gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting en de LOVS-afspraken.

Ik stel voorop dat deze oriëntatiepunten en afspraken geen recht zijn in de zin van artikel 79 RO. In relatie tot deze oriëntatiepunten kan een strafmotivering enkel op haar begrijpelijkheid worden getoetst. Het hof heeft de opgelegde straf uitvoerig gemotiveerd en daarbij rekening gehouden met de zware druk die verdachte en zijn broers uitoefenden op de vrouwen om hen te dwingen te leven volgens de door die mannen voorgeschreven regels, op de minachting voor de Nederlandse rechtsorde die immers in geval van moord op de vrouwen slechts voorzag in een gevangenisstraf van een jaar of acht, op de angst die verdachte heeft gezaaid en de invloed die dat heeft gehad op het leven van zijn slachtoffer. Verdachte is in het verleden eerder schuldig bevonden aan geweldsdelicten. Aldus heeft het hof toereikend gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met de straf zoals het OM in hoger beroep heeft geëist. In ogenschouw genomen dat het hof de strafoplegging zeer uitvoerig heeft gemotiveerd vind ik de opgelegde straf zeker niet verbazingwekkend.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF