Falende klachten m.b.t. de motivering van de bewezenverklaring. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:4

Feiten

Verzoeker is bij arrest van 22 april 2011 door het Gerechtshof te Arnhem wegens 1 primair diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.000,- toegewezen en aan verzoeker een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Middel

Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring, mede in het licht van hetgeen de verdediging daaromtrent in hoger beroep heeft aangevoerd.

Het tweede middel bevat de klacht dat voor het bewijs gebruik is gemaakt van een verklaring van een getuige die een ontoelaatbare gissing bevat.

Het derde middel bevat dezelfde klacht ten aanzien van een tot bewijs gebezigd relaas van verbalisanten.

De middelen worden gezamenlijke behandeld.

Beoordeling Hoge Raad

Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat in telefoongesprekken die de verdachte tussen 30 november 2009 en 2 december 2009 heeft gevoerd met betrokkene 1 en betrokkene 2 is gesproken over achtereenvolgens 'handding' en 'schietding', en ook over 'hoofddingen' die betrokkene 1 zou gaan kopen. Het Hof heeft aan deze gesprekken de betekenis toegekend dat de verdachte in zijn telefoongesprekken over, respectievelijk met betrokkene 2 - die een getuige in de zomer van 2009 in het bezit van een vuurwapen heeft gezien - met 'handding' onderscheidenlijk 'schietding' doelde op het vuurwapen dat bij de bewezenverklaarde overval is gebruikt, en in een telefoongesprek tussen de verdachte en betrokkene 1 met 'hoofddingen' werd gedoeld op bivakmutsen, terwijl het Hof ook van belang heeft geacht dat in telefoongesprekken die de verdachte in de avond van 1 december 2009 en in de vroege ochtend van 2 december 2009 voerde werd gesproken over ergens heengaan, waarbij de verdachte op zeker moment opmerkte dat ze alleen gingen kijken, en een medewerkster van de overvallen supermarkt een week tevoren op hetzelfde vroege uur iemand in de buurt van de supermarkt heeft gezien die op haar de indruk maakte de zaak ongezien te willen observeren, en voorts dat de daders van de bewezenverklaarde overval bivakmutsen droegen.

In de vaststellingen van het Hof ligt voorts besloten dat bij een enige tijd nadien ondernomen poging een supermarkt te Nijmegen te overvallen, ter zake waarvan betrokkene 1 als verdachte is aangemerkt, gebruik is gemaakt van een bromfiets van het merk Tomos (geregistreerd op naam van een andere verdachte van dat feit), dat de verdachte en betrokkene 1 elkaar op 9 december 2009 kort voor middernacht telefonisch hebben gesproken waarbij de verdachte aankondigde dat 'ze zo meteen naar betrokkene 1 kwamen' waarop betrokkene 1 hem mededeelde dat 'ze alles hadden, dus ook de twee brommers', en dat een getuige op 10 december 2009, kort voor zes uur 's ochtends, drie donker geklede personen op twee brommers, waaronder een Tomos, naar het centrum van Milligen aan de Rijn heeft zien rijden. Daarnaast heeft het Hof vastgesteld dat enige tijd na het begaan van de overval, waarbij onder meer bankbiljetten en rolletjes muntgeld zijn weggenomen, tijdens een doorzoeking in de woning van de grootmoeder van de verdachte in een wasmand bankbiljetten en rolletjes muntgeld zijn aangetroffen, en dat de grootmoeder van de verdachte bij de Rechter-Commissaris heeft verklaard dat zij denkt dat de verdachte, die vaak bij haar kwam, dat geld in de wasmand heeft gelegd.

Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof op grond van deze, in de gebezigde bewijsmiddelen voorkomende, feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, heeft geoordeeld dat de verdachte als dader bij het bewezenverklaarde feit betrokken is geweest.

Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof aan de tot bewijs gebezigde, bij de Rechter-Commissaris afgelegde verklaring van de grootmoeder van de verdachte klaarblijkelijk deze betekenis heeft toegekend dat bij haar, toen zij werd geconfronteerd met de aanwezigheid van bankbiljetten en rolletjes muntgeld in haar wasmand, aanstonds de overtuiging heeft postgevat dat het geld daar door de verdachte, die regelmatig in haar woning kwam, was achtergelaten, terwijl het Hof heeft geoordeeld dat de getuige terecht tot deze gevolgtrekking is gekomen zodat die vereenzelvigd kan worden met een door het Hof gemaakte gevolgtrekking. Ook in zoverre is het oordeel van het Hof, gelet op de overige bewijsmiddelen, niet onbegrijpelijk (vgl. HR 12 januari 1999, LJN ZD1326, NJ 1999/247).

In verdergaande mate kan dat aan het Hof als feitenrechter voorbehouden oordeel in cassatie niet worden onderzocht. Daar voor de strafbaarheid of ernst van het feit geen verschil maakt of bij het bewezenverklaarde feit nu precies of ongeveer een bedrag van € 35.000,- is weggenomen, heeft de verdachte geen belang bij zijn klacht dat het als bewijsmiddel 1 tot bewijs gebezigde proces-verbaal - het enige bewijsmiddel waarin een aanduiding is te vinden van het totale bij de overval weggenomen geldbedrag - is vermeld dat er "ongeveer € 35.000,-" is buitgemaakt.

Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden.

Conclusie AG: anders

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF