Falende klacht over niet-ontvankelijk verklaring verdachte in hoger beroep. Conclusie AG contrair.

Hoge Raad 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2789

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 5 september 2013 de verdachte niet ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en daartoe het volgende overwogen:

"De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 maart 2011 bij verstek veroordeeld in de strafzaak onder parketnummer 01-850031-10. Tegen dit vonnis heeft veroordeelde op 28 april 2011 hoger beroep ingesteld. In het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep is de veroordeelde bij arrest van dit hof van 4 september 2012 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

Op 21 maart 2011 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch eveneens vonnis gewezen in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde waaraan hetzelfde parketnummer is toegekend. Ook tegen dit vonnis heeft de veroordeelde op 28 april 2011 hoger beroep ingesteld.

De veroordeelde kon volgens de wet hoger beroep instellen gedurende veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het vonnis van de eerste rechter de veroordeelde bekend is.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het volgende gebleken.

In eerste aanleg zijn de strafzaak en de ontnemingszaak van de veroordeelde onder één parketnummer gelijktijdig behandeld ter terechtzitting van 21 maart 2011.

De veroordeelde heeft bij de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep ter terechtzitting van 12 juli 2012 het volgende verklaard:

"Ik was 2 tot 3 minuten te laat op de terechtzitting en ik mocht niets meer zeggen. Ik heb meteen gezegd dat ik in hoger beroep wilde gaan."

Het hof leidt uit deze mededeling af dat de veroordeelde ter terechtzitting van de politierechter op 21 maart 2011 is verschenen nadat het onderzoek in beide zaken reeds was gesloten en dat de veroordeelde de beslissingen van de politierechter zijn meegedeeld, waarna de veroordeelde kenbaar heeft gemaakt hoger beroep te willen instellen. Het hof ziet geen enkele reden om te veronderstellen dat de veroordeelde op dat moment uitsluitend de beslissing in de strafzaak is meegedeeld.

Aldus heeft zich naar het oordeel van het hof op 21 maart 2011 een omstandigheid voorgedaan waaruit voortvloeit dat (ook) het vonnis van de politierechter van die datum in de ontnemingszaak de veroordeelde bekend was en diende het hoger beroep derhalve binnen veertien dagen na 21 maart te worden ingesteld.

Dat levert naar het oordeel van het hof een zodanige omstandigheid op dat de veroordeelde na de uitspraak veertien dagen de tijd had om hoger beroepen in te stellen.

Nu het hoger beroep eerst op 28 april 2011, en dus na het verstrijken van de genoemde termijn van veertien dagen, is ingesteld, dient de veroordeelde in het hoger beroep niet ontvankelijk te worden verklaard."

Namens verdacht is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte bij zijn oordeel dat de betrokkene niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep, niet heeft betrokken dat de betrokkene in eerste aanleg niet door een raadsman werd bijgestaan en de wet niet erin voorziet dat een betrokkene, die ten overstaan van de rechter heeft verklaard het rechtsmiddel van hoger beroep te willen instellen, door de rechter wordt ingelicht omtrent de formaliteiten die daartoe moeten worden vervuld.

Beoordeling Hoge Raad

Het middel steunt op de opvatting dat de Politierechter de betrokkene, die geen raadsman had en te kennen had gegeven hoger beroep te willen instellen, had moeten inlichten over de formaliteiten die daartoe vervuld moeten worden. Die opvatting is niet juist. Zoals het Hof heeft vastgesteld, is de betrokkene door de Politierechter bij verstek veroordeeld en is hij, toen hij zich na afloop van de behandeling van zijn zaak in de zittingszaal had vervoegd, door de Politierechter geïnformeerd over de gedane uitspraak. In het onderhavige geval was dus niet de situatie aan de orde - waarop HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7694 ziet - dat de betrokkene op de voet van art. 381 Sv de gelegenheid werd geboden om afstand te doen van het openstaande rechtsmiddel en naar aanleiding daarvan verklaarde in hoger beroep te willen gaan.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Conclusie AG Vegter: contrair

"8. Opmerkelijk is dat het Hof in het bestreden arrest wel gemotiveerd op het verweer betreffende de termijnoverschrijding ingaat, maar daarbij slechts betrekt hetgeen op/na de zitting van de Rechtbank is voorgevallen en niet het telefoongesprek met ‘iemand van de Rechtbank’. Anders dan in het zojuist geciteerde arrest van de Hoge Raad wordt in cassatie thans terecht niet het standpunt ingenomen dat na de mededeling ter zitting van de Rechtbank van verdachte dat hij in beroep wenste hij ervan uit mocht gaan dat hij beroep had ingesteld. Voor zover de steller van het middel meent dat de Rechtbank die verdachte na sluiting van de zitting nog te woord stond verdachte had moeten inlichten over de formaliteiten inzake het instellen van beroep, faalt het middel, omdat volgens de Hoge Raad bepalend is dat de wet dat niet voorschrijft.

9. Mede in het licht van de omstandigheid dat verdachte bij de Rechtbank niet door een raadsman werd bijgestaan alsmede de omstandigheid dat zogenaamde ‘Rechtsmittelbelehrung’ niet is voorgeschreven, meen ik dat het Hof wel had behoren in te gaan op het telefoongesprek. Dat telefoongesprek was immers voor de verdachte kennelijk een belangrijke, zo niet de doorslaggevende reden te menen dat er nog voldoende tijd was om in beroep te gaan. De vraag is echter of de ontoereikende reactie van het Hof hier fataal is. Op zijn minst is het niet volstrekt onbegrijpelijk dat het Hof de informatie rond het telefoongesprek zo vaag oordeelde dat het geen aanleiding zag er veel woorden aan vuil te maken. Het Hof heeft wel enig onderzoek gedaan. Immers op doorvragen kan de verdachte niet antwoorden met wie en wanneer is gebeld. Hetgeen daarop in het proces-verbaal van de zitting nog volgt is niet eenduidig. Verdachte meent dat er sprake is van een misverstand. Bedoelt hij daarmee dat er een misverstand was bij hemzelf of bij degene van de Rechtbank met wie hij heeft gebeld? Bovendien zegt hij dat er iets is tussengekomen. Dat betekent niet zonder meer dat iets heeft verhinderd dat hij tijdig hoger beroep heeft ingesteld, maar het kan in de context heel goed betekenen dat hij niet onmiddellijk na het telefoongesprek beroep heeft ingesteld, omdat er iets tussen is gekomen. De slotsom is dat er te veel onduidelijkheid is over de feitelijke toedracht om te concluderen dat het achterwege blijven van respons inzake het telefoongesprek niet fataal is, omdat de door het Hof vastgestelde feiten voor zich spreken."

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF