Falende bewijsklacht verduistering

Hoge Raad 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:201

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte op 1 februari 2013 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden wegens verduistering. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Bewezen is verklaard het door verdachte opzettelijk wederrechtelijk toe-eigenen van kinderzitjes, welke verdachte als vinder onder zich had, toebehorende aan betrokkene. Het middel klaagt dat het opzet op de wederrechtelijke toe-eigening niet uit de gebezigde bewijsvoering kan volgen en dat de bewezenverklaring in het licht van het gevoerde verweer onvoldoende is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Verdachte heeft op 11 december 2011 bij de politie verklaard dat hij de in zijn woning aangetroffen kinderzitjes had gevonden om de hoek bij de flat. Ongeveer een week later heeft verdachte naar eigen zeggen de kinderzitjes in een advertentie op internet te koop aangeboden. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij de kinderzitjes op Marktplaats heeft gezet, omdat deze er tamelijk nieuw uitzagen. In de advertentie, zoals deze op Marktplaats is geplaatst, zijn de kinderzitjes omschreven als: 'Zo goed als nieuw'.

De tenlastelegging is toegesneden op art. 321 Sr waaronder wordt verstaan het zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester over eens anders goed beschikken.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft hiertoe aangevoerd dat het bewijs voor het (voorwaardelijk) opzet op de wederrechtelijkheid van de toe-eigening ontbreekt. De goederen leken te zijn prijsgegeven, gelet op de plaats waar ze door verdachte zijn aangetroffen en het feit dat de goederen incompleet en beschadigd waren.

Het Hof overwoog dat het op de weg van verdachte was gelegen om van deze gevonden voorwerpen melding te doen bij de autoriteiten. Het hof is van oordeel dat de verdachte, gelet op de staat van de kinderzitjes, niet heeft mogen aannemen dat de eigenaar hier afstand van heeft gedaan. De kinderzitjes vertegenwoordigen waarde in het economische verkeer en van omstandigheden op grond waarvan verdachte kon en mocht menen dat de gevonden voorwerpen rechtens toekomen aan de eerlijke vinder, is niet gebleken.

Door te overwegen dat de verdachte op de door het Hof aangegeven gronden "niet heeft mogen aannemen dat de eigenaar afstand had gedaan" van de kinderzitjes en dat niet van "omstandigheden is gebleken op grond waarvan verdachte kon en mocht menen dat de gevonden voorwerpen rechtens toekomen aan de eerlijke vinder", en vervolgens het verweer te verwerpen dat niet sprake is van (voorwaardelijk) opzet, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij zich de "zo goed als nieuwe" voorwerpen wederrechtelijk toe-eigende door deze te koop te zetten. Dat oordeel is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF