EHRM: art. 3 en 5 EVRM, voorlopige hechtenis, gronden voorlopige hechtenis, motivering, alternatieven, borg

EHRM 26 juni 2012, nr. 33376/07, Piruzyan/Armenië
Voor het Hof in Straatsburg klaagt Piruzyan onder andere over een schending van artikel 5 EVRM bij de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis.

Het Hof herhaalt bij de beoordeling van de klacht een aantal algemene overwegingen over de voorlopige hechtenis. Daarbij wijst het Hof op het uitgangspunt dat een verdachte tijdens het opsporingsonderzoek altijd in vrijheid moet worden gesteld, tenzij sprake is van ‘relevant and sufficient’ redenen om de voorlopige hechtenis te laten voortduren.

Het Hof wijst er voorts op dat ten tijde van het geven van een bevel tot voorlopige hechtenis een redelijk vermoeden van schuld een conditio sine qua non is, maar bij het voortduren van de tijd is dit redelijk vermoeden van schuld op zichzelf niet meer voldoende. Bij het voortduren van de voorlopige hechtenis dient de bevoegde rechterlijke instantie andere gronden te betrekken voor de rechtvaardiging van de vrijheidsbeneming. In de rechtspraak van het Hof zijn vier aanvaardbare gronden ontwikkeld, te weten vluchtgevaar, collusiegevaar, recidivegevaar en gevaar voor de openbare orde.

Het vluchtgevaar dient te worden beoordeeld aan de hand van een aantal relevante factoren gerelateerd aan de persoon van verdachte die ofwel het vluchtgevaar bevestigen, ofwel aantonen dat het vluchtgevaar zo gering is dat voorlopige hechtenis niet gerechtvaardigd is. Dergelijke factoren zijn bijvoorbeeld ethiek, huisvesting, beroep, bezittingen, familiebanden en andere banden die hij heeft met het land waarin hij vervolgd wordt. De zwaarte van de toekomstige straf en het bewijs kunnen bij de beoordeling van belang zijn, maar kunnen op zichzelf en als zodanig niet doorslaggevend zijn.

Tot slot kan het gevaar voor collusie door verdachte niet in abstracto worden aangenomen. Het moet worden ondersteund door feiten. Bij de beoordeling van de klacht van Piruzyan overweegt het Hof dat het feit dat het onderzoek nog niet is afgerond en de noodzaak tot het verrichten van nadere onderzoekshandelingen geen aanvaardbare redenen zijn om voorlopige hechtenis te bevelen. Hetzelfde geldt voor de algemene verwijzing naar de ernst van de ten laste gelegde feiten.

Mede gelet op het gebrek aan motivering bij het opsommen van de gronden voor voorlopige hechtenis, komt het Hof tot het oordeel dat het recht van Pirzyan zoals bedoeld in artikel 5 lid 3 EVRM is geschonden. Voorts herhaalt het Hof dat bij de beoordeling van de voorlopige hechtenis van de autoriteiten verwacht wordt dat ze alternatieve maatregelen voor voorlopige hechtenis in overweging nemen.

Tot slot merkt het Hof op dat de betrokkene die een rechtsmiddel instelt tegen de voorlopige hechtenis niet niet-ontvankelijk mag worden verklaard met als enig argument dat de zaak zich niet langer in de vooronderzoeksfase bevond (zie ook EHRM 7 juni 2011 (S.T.S./Nederland)).
Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF