Economische delicten & Bevoegde kamer

Hoge Raad 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:892 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft verdachte op 30 januari 2013 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden voor

  1. tot 1 juni 2008: medeplegen van het opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, meermalen gepleegd, en vanaf 1 juni 2008: medeplegen van het opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, meermalen gepleegd,
  2. tot 1 juni 2008: medeplegen van het opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, meermalen gepleegd, en vanaf 1 juni 2008: medeplegen van het opzettelijk overtreden van voorschriften gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer, meermalen gepleegd,
  3. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
  4. opzettelijk vervalste merken of waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft, of waren, die ter aanduiding van herkomst, valselijk van de naam van een bepaalde plaats, met bijvoeging van een verdichte handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe afwijking, is nagebootst of waren of onderdelen daarvan die valselijk hetzelfde uiterlijk vertonen als een tekening of model, waarop een ander recht heeft, dan wel daarmede slechts ondergeschikte verschillen vertonen, in voorraad hebben,
  5. handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en
  6. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,

Middel

Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het vonnis in eerste aanleg is gewezen door een bevoegde economische kamer van de Rechtbank althans dat dit oordeel ontoereikend, althans onbegrijpelijk is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

In eerste aanleg is vonnis gewezen door "de meervoudige economische kamer" van de Rechtbank Assen.

Aan de verdachte zijn naast economische delicten ook strafbare feiten niet zijnde economische delicten tenlastegelegd die klaarblijkelijk in samenhang zijn begaan. Ingevolge art. 39, tweede lid, WED is de gewone strafkamer, die bevoegd is kennis te nemen van de tenlastegelegde niet economische delicten, ook bevoegd kennis te nemen van de economische delicten. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat uit hetgeen in de cassatieschriftuur is aangevoerd niet kan blijken van enig in rechte te respecteren belang van de verdachte bij zijn klacht over de bevoegdheid van de "economische kamer" van de Rechtbank, moet het middel worden verworpen.

Opmerking verdient het volgende. Het Hof heeft vastgesteld dat het Bestuursreglement van de Rechtbank geen melding maakt van (enkelvoudige of meervoudige) economische kamers en dat die kamers ook niet bij bestuursbesluit zijn gevormd. Het oordeel van het Hof dat in de Rechtbank de inzet van de rechters die economische delicten beoordelen zodanig is geregeld, dat de specifieke rechterlijke deskundigheid die de bepalingen van art. 38 WED en art. 52, eerste lid, RO beogen te waarborgen bij de behandeling en beslissing van economische delicten, is verzekerd, kan niet afdoen aan het voorschrift van art. 52, eerste lid, RO dat economische kamers moeten worden gevormd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF