Douanezaak: verweren innerlijke tegenstrijdigheid dagvaarding verworpen; niet-ontvankelijkheid OM wegens schending van de algemene beginselen van goede procesorde verworpen; bewijsverweren betrouwbaarheid OLAF rapport verworpen.

Rechtbank Noord-Holland 23 juli 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:9668

Op 30 september 1997 werd rechtspersoon 6 opgericht. Op 29 april 2002 werd de naam van deze vennootschap gewijzigd in ‘rechtspersoon 7’ Op dezelfde datum richtte rechtspersoon 7 twee nieuwe vennootschappen op: rechtspersoon 6 en rechtspersoon 8 rechtspersoon 7 liet via handelsagenten schoenen produceren in China. Met betrekking tot de invoer van schoenen in de EU zijn beperkende maatregelen uitgevaardigd. Importeurs binnen de EU kunnen een bepaalde hoeveelheid-contingent ontvangen, hetgeen aangegeven wordt op één of meerdere invoervergunningen. Bij invoer moeten deze vergunningen worden overgelegd. Hierbij geldt dat niet meer mag worden ingevoerd dan op de vergunningen staat vermeld. Om in aanmerking te komen voor de lagere invoerrechten dient de importeur bij de invoer een bepaald certificaat van oorsprong te overleggen. Dit zijn zogenoemde ‘Generalised System of Preferences Form A’; afgekort GSP Form A’s.

Valse GSP Form A’s

rechtspersoon 7 heeft in de periode 4 juli 2001 tot en met 14 januari 2003 aangiften ten invoer gedaan, welke betrekking hadden op het binnen Nederland brengen van schoenen uit Cambodja en Maleisië. Deze aangiften liet zij verrichten door douane-expediteur expediteur bij de daarvoor bestemde aangiftepunten te Rotterdam. Bij deze aangiften ten invoer zijn verschillende GSP Form A’s overgelegd. Dit betroffen 22 GSP Form A’s van de onderneming rechtspersoon 3 te Cambodja; 26 GSP Form A’s van de onderneming rechtspersoon 4 te Cambodja en 22 GSP Form A’s van de onderneming rechtspersoon 5 te Maleisië. Naar deze overlegde GSP Form A’s is onderzoek gedaan. In april 2002 vond in Cambodja een missie van administratieve samenwerking plaats tussen de antifraude-afdeling van de Europese Commissie (OLAF) en de verantwoordelijke autoriteiten in Cambodja. Aangaande de GSP Form A’s welke zien op rechtspersoon 3 te Cambodja is het volgende gebleken. Dit bedrijf is reeds in 1998 opgeheven. Daarbij zijn de desbetreffende GSP Form A’s door de Cambodjaanse autoriteiten vals verklaard, terwijl rechtspersoon 7 voor ruim € 761.000,- aan schoeisel gekocht zou hebben van deze onderneming.

In relatie tot rechtspersoon 4 te Cambodja bleek het volgende. rechtspersoon 4 stelde dat zij de GSP Form A’s ten behoeve van rechtspersoon 1 niet heeft laten opmaken. Er is zonder toestemming van de bedrijfsnaam gebruik gemaakt in de GSP Form A’s. De desbetreffende GSP Form A’s zijn door de Cambodjaanse autoriteiten vals verklaard. rechtspersoon 7 zou voor ruim € 1.529.000 aan schoeisel gekocht hebben van rechtspersoon 4.

Ook in Maleisië vond een missie van administratieve samenwerking plaats tussen OLAF en de verantwoordelijke Maleisische autoriteiten. Op het adres van rechtspersoon 5 te Maleisië werd een afgesloten winkelpand aangetroffen. Door de Maleisische autoriteiten zijn diverse GSP Form A’s op naam van rechtspersoon 5 vals verklaard. Deze onderneming stond niet geregistreerd om Form A’s te mogen laten opmaken. rechtspersoon 7 zou in totaal voor ruim €494.000,- aan schoeisel gekocht hebben van rechtspersoon 5.

Uit de bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat de desbetreffende GSP Form A formulieren vals zijn. Door de Belastingdienst is het totale nadeel ten gevolge van te weinig geheven rechten bij invoer als gevolg van het onjuist/onvolledig doen van aangifte namens rechtspersoon 7 berekend op € 371.262.04.

Betrokkenheid van verdachten medeverdachte 1 en verdachte

Verdachte verdachte was de directeur van de rechtspersoon 1-groep, bepaalde de inkoop voor alle schoenen en was tevens verantwoordelijk voor de prijsafspraken met het ‘Verre Oosten’.

Medeverdachte medeverdachte 1 gaf leiding aan de afdeling logistiek van rechtspersoon 1 en was verantwoordelijk voor de inklaring van goederen. rechtspersoon 1 kreeg de originele documenten per koerier binnen. Dit betroffen: factuur, bill of lading, paklijst en een GSP Form A of certificaat van oorsprong. Deze werden samen met de inklaringsinstructies naar expediteur (de douane-expediteur) verzonden. 

In het dossier van onderhavige strafzaak bevinden zich verschillende e-mailberichten, welke betrekking hebben op het overladen van goederen in Singapore. Op 10 juni 2002 mailt getuige 1 aan medeverdachte medeverdachte 1. In deze e-mail wordt verwezen naar het in een bijlage meegezonden tekstbestand waarin de zogenoemde ‘Singapore’-route wordt geïllustreerd, een en ander met het oog op de Europese douane en waarbij de te importeren vracht uiteindelijk in Rotterdam zal aankomen (‘Shipment from Singapore to Rotterdam/Antwerp’).

De rechtbank wijst met name op het volgende citaat uit die bijlage: ‘Step two: Transloading arrangement & application of relevant documents Before your cargoes arrival Singapore from China, we had pick up the empty container from the country of origin (e.g. Malaysia or Cambodia) then truck to Singapore for transloading your cargoes from the original loaded container from China. Therefore, the EU custom will found that the container is came from the origin country instead of Singapore. At the same time, we will apply the relevant documents at the country of origin such as C/O or “Form A”, factories’invoices, packing lists & contract…etc.’

De firma rechtspersoon 9 draagt zorg voor de ‘Form A’ documenten. In dit verband is er nog een e-mailwisseling met betrekking tot de betaling van $ 83.352 aan rechtspersoon 9. Het bedrag is door rechtspersoon 1 apart betaald (tot schrik van rechtspersoon 10, één van de handelsagenten uit China).

In de e-mailwisseling van december 2001 tussen verdachte medeverdachte 1 en getuige 2 van rechtspersoon 11 schrijft eerstgenoemde het volgende:

‘DO NOT SEND SUCH INFO TO OTHER PEOPLE THAN ME OR medeverdachte 2! The Hanky Panky business is not for everybody to know!’

getuige 2 antwoordt:

‘Noted your concerns about this matter in confidential.’

Ook vraagt medeverdachte medeverdachte 1 op 4 januari 2002 aan getuige 2 of er ‘andere landen’ aangeboden kunnen worden. Hij schrijft in dat verband het volgende aan getuige 2:

‘The EEG is checking all Cambodian origins at the moment. A Group of specialists will fly to Cambodia to check all factories!’

Tenslotte wordt gewezen op een e-mailwisseling tussen medeverdachte medeverdachte 1 en getuige 3 van rechtspersoon 11. Laatstgenoemde geeft daarin aan te hebben gesproken met ‘verdachte’ over de verscheping uit China op 20 juni 2001 en dat daar een bepaalde periode bij op geteld moet worden (‘so you can add the leading time from Xiamen China to Singapore via Cambodia’). Over deze opmerking zegt medeverdachte 1 vervolgens dat getuige 3 deze constructie nooit op papier mag noemen (‘Do not mention such construction on paper’). Destijds was bij rechtspersoon 1 maar één verdachte werkzaam en dit was verdachte verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het bovengenoemde, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij voornoemde frauduleuze handelingen. Bij de valse douaneaangiften bestond de voor het medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, medeverdachte medeverdachte 1 en de bij de fraude betrokken ondernemingen. Gelet op de functie van verdachte verdachte als algemeen directeur met bijbehorende zeggenschap en bevoegdheden, het feit dat er e-mails in kopie aan hem verzonden werden, alsmede dat hij in e-mailberichten met naam genoemd werd, acht de rechtbank het onaannemelijk dat deze van voornoemde handelingen geen weet heeft gehad. Tevens acht de rechtbank, gelet op het beschikkings- en aanvaardingscriterium, en gelet op de functie van verdachte verdachte binnen de onderneming rechtspersoon 7, bewezen dat verdachte als medepleger feitelijk leiding heeft gegeven aan de onder 1. en 2. tenlastegelegde feiten.

Geldigheid van de dagvaarding

Verweer: dagvaarding nietig

Door de verdediging is betoogd dat de dagvaarding nietig verklaard dient te worden aangezien deze niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). In dat verband heeft de verdediging aangevoerd dat de dagvaarding innerlijk tegenstrijdig is. Ter onderbouwing van deze verweren is – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren gebracht.

Innerlijke tegenstrijdigheid: deelnemingsvarianten

Voor de feiten met betrekking tot de opzettelijk onjuiste aangiften geldt dat de tenlastelegging niet alleen onduidelijk, maar ook innerlijk tegenstrijdig is. Aan verdachte wordt in het normatieve deel van de tenlastelegging verweten dat hij, verdachte persoonlijk, opzettelijk onjuiste aangiften zou hebben gedaan als pleger en/of medepleger of heeft laten doen. De feitelijke omschrijving (vanaf "immers") noemt rechtspersoon 1 en/of rechtspersoon 2 echter als pleger, waarbij voorts ook een niet nader gespecificeerde mededader wordt vermeld. Daarnaast moet worden geconcludeerd dat het normatieve (hij.., worden geheven) en het feitelijke deel (immers...werd geheven) van de tenlastelegging niet met elkaar in overeenstemming zijn. In het eerste deel wordt de deelnemingsvariant 'doen plegen' opgenomen, waaruit moet worden geconcludeerd dat degene die de aangifte feitelijk heeft verricht, de expediteur, als willoos werktuig is gebruikt door de (mede)pleger, terwijl in het tweede deel wordt toegelicht dat de aangifte is gedaan door de vennootschap en haar mededader. Nu de feitelijke handeling van het doen van aangifte niet is verricht door verdachte kan met de mededader uitsluitend de expediteur bedoeld worden. Beide delen van de tenlastelegging zijn derhalve tegenstrijdig, zodat de dagvaarding op dit punt nietig dient te worden verklaard. Hetzelfde geldt overigens indien ervan wordt uitgegaan dat verdachte (uitsluitend) wordt verweten dat hij feitelijk leiding c.q. opdracht heeft gegeven aan de verboden gedragingen van de vennootschap, terwijl de vennootschap het feit zou hebben gepleegd dan wel zou hebben doen plegen. Ook dan is het normatieve deel tegenstrijdig met het feitelijke deel van de tenlastelegging, hetgeen tot nietigheid van de tenlastelegging dient te leiden.

Innerlijke tegenstrijdigheid: opzetbestanddeel

Voor alle feiten geldt dat de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is ten aanzien van het opzetbestanddeel. Aan cliënt en/of rechtspersoon 1 wordt in het normatieve gedeelte van de tenlastelegging verweten dat opzettelijk is gehandeld. In de feitelijke omschrijving staat dit bestanddeel evenwel niet. Beide delen van de tenlastelegging zijn derhalve tegenstrijdig, zodat de dagvaarding ook op dit punt nietig dient te worden verklaard.

Onbegrijpelijke tenlastelegging ten aanzien van valse certificaten

Voor feiten 1.b. en 2.b. geldt dat de tenlastelegging ook onbegrijpelijk is. Bij de vermelding van de omstandigheden (wederom vanaf 'immers') staat vermeld dat rechtspersoon 1 als land van oorsprong Cambodja of Maleisië op de oorsprongscertificaten – die vals zouden zijn – heeft aangegeven of doen aangeven. Die toelichting impliceert dat aan rechtspersoon 1 (en daarmee ook aan de feitelijke leidinggevers) betrokkenheid wordt verweten bij het plegen van valsheid in geschrift. Eerder heeft de officier van justitie het standpunt ingenomen dat verdachte juist niet wordt verweten dat hij zelf de oorsprongscertificaten heeft vervalst. Daarvoor ontbreekt ook overigens ieder bewijs. Met het opstellen van de oorsprongscertificaten hebben cliënt en rechtspersoon 1 geen enkele bemoeienis gehad. Bovendien is artikel 48 lid 3 van de Douanewet (Dw) ten laste gelegd en is de omschrijving 'immers heeft rechtspersoon 1 Cambodja/Maleisië op de oorsprongscertificaten aangegeven of doen aangeven' in dat kader volstrekt onbegrijpelijk. Onduidelijk is wat moet worden verstaan onder 'aangegeven of doen aangeven' in relatie tot het 'overgeven of het voor raadpleging ter beschikking stellen' en derhalve wat nu precies het verwijt is op grond van de feitelijke handeling, die rechtspersoon 1 heeft verricht. Deze feitelijke uitwerking van de feiten 1.b. en 2.b. is zodanig onduidelijk dat de tenlastelegging op die onderdelen nietig dient te worden verklaard.

Innerlijke tegenstrijdigheid aangiften/gegevensdragers

De verdediging heeft tenslotte bepleit dat een cumulatieve en/of alternatieve tenlastelegging van enerzijds opzettelijk doen van onjuiste aangiften en anderzijds het ter beschikking stellen van valse gegevensdragers, naar de verdediging aanneemt -als bijlage bij de aangiften- innerlijk tegenstrijdig is. De tenlastelegging over het opzettelijk doen van onjuiste aangiften verwijst immers niet naar de opgestelde overzichten van aangiften (D 0/49 en D 0/50), maar uitsluitend naar de D-nummers van de oorsprongscertificaten. Diezelfde D-nummers worden genoemd in de tenlastelegging bij het ter beschikking stellen van valse gegevensdragers. Het is hierdoor onduidelijk of de oorsprongscertificaten worden aangemerkt als aangiften of als valse gegevensdragers. De verdediging meent dat de officier van justitie hierin een keuze had moeten maken. Door dit niet te doen is de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig.

Oordeel van de rechtbank

Dit verweer faalt op alle punten. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het ten laste gelegde geen onjuiste of verwarringwekkende onderdelen en voldoet de omschrijving van de aan verdachte verweten feiten ook overigens aan de eisen van artikel 261 Sv.

Aan dit oordeel heeft de rechtbank de volgende overwegingen ten grondslag gelegd. Allereerst geldt dat de genoemde ‘D-nummers’ enkel in de tenlasteleggingen (onder ‘1A en 2A’) zijn opgenomen, om te verwijzen naar het bijbehorende GSP Form A. Deze vermeldingen, bedoeld om het zoeken van documenten te faciliteren en om die reden tussen haakjes neergezet, kunnen dan ook niet leiden tot de bepleite nietigheid van de dagvaarding. Voor wat betreft het onderdeel van het verweer dat de dagvaarding innerlijk tegenstrijdig zou zijn door de vermelde deelnemingsvarianten, overweegt de rechtbank dat de ‘cumulatief/alternatieve tenlasteleggingen’ op dit punt voldoende feitelijk zijn uitgewerkt en dat van enige tegenstrijdigheid geen sprake is. Gelet op de gehele context – het dossier, de behandeling ter terechtzitting en de door de verdediging gevoerde verweren – is de rechtbank ook in meer algemene zin van oordeel dat het de verdediging voldoende duidelijk is geweest welke gedragingen in de ten laste gelegde feiten aan verdachte worden verweten en ook anderszins is van enig misverstand omtrent de strekking en reikwijdte van het ten laste gelegde niet gebleken.

De rechtbank heeft aldus vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, alsmede dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

Verweer: Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk

In het kader van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft de verdediging – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De verdediging betoogt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op basis van een schending van de algemene beginselen van een goede procesorde, waaronder het verdedigingsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, alsmede van het verbod van willekeur en het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld aan het plegen van een strafbaar feit. Daartoe is het volgende aangevoerd.

Schending van het verdedigingsbeginsel

Allereerst doet de verdediging daarbij een beroep op een schending van het verdedigingsbeginsel, zoals vastgelegd in artikel 41 en 48 van het Handvest van de Europese Unie. Gelet op het feit dat deze strafzaak is gebaseerd op Unierechtelijke douanewetgeving is dit Handvest van toepassing in de onderhavige strafzaak. Het Handvest schrijft voor dat de rechten van de verdediging dienen te worden geëerbiedigd (artikel 48) en dat eenieder dient te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen (artikel 41). De uitwerking van het verdedigingsbeginsel is (eerder) uitgewerkt in het Sopropé-arrest (HvJ 18 december 2008, C-349/07). De verdediging stelt zich op het standpunt dat een vervolgingsbeslissing dient te worden aangemerkt als een bezwarend besluit. Niet kan worden betwist dat de beslissing om de strafzaak jegens verdachte op een openbare zitting aanhangig te maken de belangen van verdachte aanmerkelijk raakt. Verdachte is niet in de gelegenheid gesteld om te reageren dan wel gehoord voordat de officier van justitie een vervolgingsbeslissing heeft genomen op basis van het eindproces-verbaal van de FIOD. In dit verband handhaaft de verdediging het standpunt, zoals ingenomen in het kader van het bezwaarschrift tegen de dagvaarding, dat op basis van de gevoerde correspondentie mocht worden vertrouwd op een (hoor)gesprek omtrent de afdoening van het strafrechtelijk onderzoek. In zijn brief van 9 oktober 2006 sloot de officier van justitie een gedachtewisseling daarover niet uit. Een brief van de verdediging in reactie hierop werd niet weersproken en vervolgens is lange tijd niets vernomen, zodat het eerder gewekte vertrouwen post heeft gevat. Verdachte alsnog en na vele jaren van radiostilte te vervolgen, zonder hem voorafgaand te horen, is niet alleen in strijd met het vertrouwensbeginsel, maar ook met het verdedigingsbeginsel. rechtspersoon 1 is pas op een zeer laat moment op de hoogte geraakt van de bevindingen uit het OLAF-rapport. Uit dit rapport blijkt dat de Nederlandse autoriteiten al sinds 1999 zijn geïnformeerd over onregelmatigheden bij de import van schoenen uit Cambodja. rechtspersoon 1 is daarover nimmer geïnformeerd, niet in de periode dat zij schoenen importeerde uit Cambodja, niet in de periode tijdens of vlak na het onderzoek van OLAF en niet in de periode, waarin de UTB's door de Nederlandse douane of de strafzaak door de FIOD zijn voorbereid. Gelet op de ruime periode, die tussen 1999 (eerste informatie), april 2002 (OLAF-onderzoek), dan wel maart 2003 en maart 2004 (opleggen UTB's) en februari 2005 (FIOD-onderzoek) is verstreken, is zij onherstelbaar in haar verdedigingsbelangen geschaad. Het is voor een onderneming na een dergelijke periode onmogelijk om via haar opdrachtgevers en diens Aziatische leveranciers (aanvullend) bewijs aan te leveren van de oorsprong van de goederen.

In de douanezaak hechtte het Hof waarde aan de constatering dat zelfs tot één week voor de uitspraak op bezwaar van 24 mei 2006 in de fiscale procedure onduidelijkheid is blijven bestaan over de vermeende valse dan vervalste oorsprongscertificaten. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de conclusie van de Douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam eveneens dient te worden getrokken in de strafzaak.

Ook in de strafzaak is nader feitelijk onderzoek naar de oorsprong van de geïmporteerde schoenen en de vermeende onjuistheid van de oorsprongscertificaten niet meer mogelijk, waarbij moet worden opgemerkt dat het in de strafzaak, anders dan in de fiscale zaak, aan het Openbaar Ministerie is om voldoende wettig en overtuigend bewijs te leveren omtrent de herkomst van de schoenen. Het Openbaar Ministerie heeft nader onderzoek evenwel niet nodig geacht. Hoewel in het rapport zelf al wordt geconcludeerd dat nader onderzoek nodig is naar de herkomst van de schoenen, is dit onderzoek door de FIOD niet verricht.

De verdediging meent dat het OLAF-rapport niet als een wettig en overtuigend bewijsmiddel kan worden aangemerkt. Aan de betrouwbaarheid van inhoud moet ernstig worden getwijfeld. Deze twijfel sloeg om in ontsteltenis toen bleek dat niet de definitieve versie, maar een conceptversie van het rapport is gebruikt om een strafrechtelijk onderzoek te starten. Bovendien is slechts deze conceptversie bij het eindproces-verbaal van de FIOD gevoegd. Er is nog wel een poging gedaan om de feiten te achterhalen omtrent de gewijzigde voetnoot 13 in het OLAF-rapport, maar niet kan worden achterhaald hoe dit concept bij de heer verbalisant 1 van de Belastingdienst/FIOD-ECD terecht is gekomen en waarom hij niet het definitieve rapport heeft overhandigd aan de FIOD. Hoewel de verdediging zich realiseert dat met het onderzoek dat is verricht na de zitting van 25 januari 2011 niet onomstotelijk is komen vast te staan dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van cliënt is gehandeld, meent de verdediging dat van een ervaren OLAF-missionaris toch meer mag worden verwacht.

Deze gang van zaken in de douaneprocedure en het strafrechtelijk onderzoek kan tot geen andere conclusie leiden dan de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Over de vermeende onjuistheid van de oorsprongscertificaten zijn zoveel twijfels ontstaan dat nader onderzoek noodzakelijk was geweest. Verdachte is echter pas op een dusdanig laat moment van het OLAF-rapport op de hoogte gesteld dat nader onderzoek geen uitsluitsel meer kon en kan bieden. Zijn verdedigingsrechten zijn hierdoor onherstelbaar geschaad. Hoezeer de rechtbank aan verdachte ook alle gelegenheid heeft geboden om de feiten te achterhalen, toch is daarvoor teveel tijd verstreken. Bij gebrek aan adequaat feitenonderzoek is een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM niet meer mogelijk.

Schending van het verbod op willekeur

Door de heer verbalisant 1, aanwezig bij de missies van OLAF naar Cambodja en Maleisië, wordt geconcludeerd dat 214 oorsprongscertificaten valselijk zouden zijn opgemaakt. Slechts 24 daarvan hebben betrekking op de import van schoenen door of ten behoeve van rechtspersoon 1. Er moeten derhalve meerdere importeurs in dit onderzoek betrokken zijn. Dit wordt ook bevestigd door de heer P. Vrijenhoek tijdens zijn verhoor door de rechter-commissaris (proces-verbaal van verhoor van 23 oktober 2008). Noch de expediteur, noch de andere importeurs worden c.q. zijn strafrechtelijk vervolgd. Ook uit de stukken uit het ATV-traject

blijkt niet waarom rechtspersoon 1 strafrechtelijk is vervolgd en de exporteur en andere importeurs niet. Een verklaring om rechtspersoon 1 wel en anderen niet te vervolgen ontbreekt, terwijl moet worden vastgesteld dat sprake is van gelijke gevallen. Deze ongelijke behandeling is in strijd met het verbod op willekeur en dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld

Het strafrechtelijk onderzoek jegens rechtspersoon 1 is aangevangen op basis van een OLAF-onderzoek, waarin de conclusie wordt getrokken dat oorsprongscertificaten zijn vervalst en dat deze in diverse Europese landen zijn overhandigd bij de aangiften ten invoer. In het rapport zijn geen concrete feiten en omstandigheden genoemd over strafbare betrokkenheid van rechtspersoon 1 en/of haar medewerkers. Integendeel, herhaaldelijk wordt opgemerkt dat vraagtekens kunnen worden gesteld bij de kwaliteit van de controle door de lokale autoriteiten in het Verre Oosten. Er wordt zelfs gesproken over corruptie aldaar. Daarmee staat de betrouwbaarheid van het OLAF-rapport en de informatie die door de Cambodjaanse autoriteiten ter beschikking is gesteld ernstig ter discussie. Het enkele feit – voor zover al kan worden gesproken van een feit – dat valse oorsprongscertificaten zijn gebruikt bij de aangiften ten invoer rechtvaardigt derhalve geen strafrechtelijk onderzoek jegens rechtspersoon 1 en/of haar medewerkers. Mochten deze feiten wel voldoende zijn, dan is eens te meer onbegrijpelijk dat niet ook andere importeurs en/of de douane-expediteur met een strafrechtelijk onderzoek zijn geconfronteerd. De dwangmiddelen jegens rechtspersoon 1 en haar medewerkers zijn derhalve zonder rechtsgrondslag ingezet en derhalve onrechtmatig. Derhalve is in strijd gehandeld met artikel 27 Sv. Dat betekent dat de fundamentele rechten van cliënt op grove wijze zijn veronachtzaamd, hetgeen moet leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat – gelet op het opportuniteitsbeginsel – de officier van justitie ‘dominus litis’ is. Het is dan ook de officier van justitie die de beslissing over een vervolging neemt, een beslissing die niet aan directe toetsing door de rechtbank voorligt. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd en gelet op de inhoud van het dossier is de rechtbank van oordeel dat niet gesteld kan worden dat het Openbaar Ministerie niet in redelijkheid tot de vervolging van verdachte heeft kunnen beslissen, of dat sprake zou zijn van een willekeurige vervolging.

Tevens heeft te gelden dat de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie slechts kan volgen, indien sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, dan wel andere grondrechten, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. In dit verband is de rechtbank van oordeel dat aan de zijde van het Openbaar Ministerie geen concrete toezeggingen zijn gedaan aan de verdediging, op basis waarvan zij het vertrouwen kon ontlenen dat (zonder voorafgaand overleg) geen vervolging zou worden ingesteld; enkel de mogelijkheid van een gesprek is geopperd.

Aangaande het beroep op het Sopropé-arrest (HvJ 18 december 2008, C-349/07) overweegt de rechtbank dat dit geen toepassing heeft binnen de context van het strafprocesrecht. De vervolging en bestraffing van strafbare feiten is een interne aangelegenheid van de lidstaten die niet wordt geregeld door het Unierecht. Het Handvest, waarop de verdediging eveneens een beroep doet, maakt dit niet anders. De bepalingen van het Handvest, krachtens artikel 51, lid 1, ervan, zijn enkel tot de lidstaten gericht wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Krachtens lid 2 van diezelfde bepaling breidt het Handvest de werkingssfeer van het recht van de Unie niet verder uit dan de bevoegdheden van de Unie reiken, schept het geen nieuwe bevoegdheden voor de Unie, noch wijzigt het de in de Verdragen omschreven bevoegdheden en taken. De rechtbank verwerpt het beroep van de verdediging op het Sopropé-arrest en het Handvest.

Ten aanzien van de benoemde verschillen in het OLAF-rapport merkt de rechtbank het volgende op. Met uitzondering van het verschil in voetnoot 13, is er geen inhoudelijk, zelfs geen enkel tekstueel verschil, tussen de respectieve exemplaren van het OLAF-rapport. Het terzijde stellen van de bevindingen van een onderzoeksmissie ingesteld door OLAF is een dusdanig ingrijpende handeling, dat dit in het algemeen slechts gerechtvaardigd zou zijn, indien de door de verdediging aangevoerde bezwaren tegen de bevindingen van de onderzoeksmissie van OLAF zodanig ernstig zijn, dat geen geloofwaardigheid aan de bevindingen van OLAF (meer) kan worden toegekend. De enkele constatering dat de tekst van voetnoot 13 in de definitieve versie van het rapport afwijkt van die in de concept-versie, is niet zodanig ernstig dat aan de inhoud van het rapport moet worden getwijfeld. De afwijking heeft volgens getuige verbalisant 2 een politieke achtergrond. De rechtbank stelt vast dat de afwijking geen enkel verband heeft met de feiten die aan verdachte ten laste zijn gelegd. Van enig concreet verdedigingsbelang dat in dit verband is geschonden, is derhalve niet gebleken.

In het kader van de betrouwbaarheid van het OLAF-rapport, in relatie tot de verdenking, stelt de rechtbank het volgende.

Anders dan de door de verdediging benoemde corruptie in bijvoorbeeld Cambodja (en hetgeen over ‘noot 13’ aan de orde is gekomen), is niet geconcretiseerd waarom het rapport onbetrouwbare informatie zou bevatten. Integendeel, het OLAF-rapport wordt juist ondersteund door verschillende omstandigheden. Zo is ter plaatse waargenomen dat bij rechtspersoon 3 te Cambodja geen bedrijfsactiviteiten plaatsvonden (en op het adres überhaupt nooit schoenen zijn geproduceerd, AH 13, p. 14 en 40 t/m 42). Tevens is door rechtspersoon 4 te Cambodja gesteld dat zij geen GSP Form A’s ten behoeve van rechtspersoon 1 heeft laten opmaken (AH 13, p.29).

Ook bleek na onderzoek in Maleisië de onderneming rechtspersoon 5 niet te bestaan (AH-12G). Naar het oordeel van de rechtbank heeft het OLAF-rapport aldus ten grondslag kunnen liggen aan de verdenking jegens verdachte en de op grond daarvan toegepaste dwangmiddelen.

Tenslotte overweegt de rechtbank dat uit het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, NJ 2008, 358 volgt dat overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, ook niet als er sprake is van uitzonderlijke gevallen.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank alle verweren strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie verwerpt. Het Openbaar Ministerie is aldus ontvankelijk in zijn vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

Bespreking bewijsverweren

Betrouwbaarheid OLAF rapport

De verdediging heeft – bij wijze van subsidiaire stellingname – bepleit dat het OLAF-rapport niet tot het bewijs mag worden gebezigd, gelet op de onbetrouwbaarheid daarvan. De rechtbank verwerpt dit verweer onder verwijzing naar hetgeen zij in het kader van de ontvankelijkheid heeft overwogen.

Verweer: Ontbreken aangiften

De verdediging heeft bepleit dat de desbetreffende (douane)aangiften zelf niet aan het procesdossier zijn toegevoegd. De FIOD volstaat met een overzicht van de aangiften.

Rb: Bij gebreke van die aangiften zelf kan niet worden geverifieerd of de informatie uit deze overzichten overeenkomt met de daadwerkelijke aangiften. Anders dan de verdediging, acht de rechtbank de genoemde overzichten wel voldoende om als wettig bewijsmiddel bij te dragen aan het bewijs dat de in de tenlastelegging genoemde douane aangiften ook daadwerkelijk en conform dit overzicht zijn gedaan.

Geen uitnodiging tot het doen van aangiften/ kwaliteitsdelict (subsidiair verweer)

In artikel 48 Dw is als bestanddeel ‘een ingevolge wettelijke bepalingen vereiste aangifte’ genoemd. Dit kan uitsluitend bewezen worden verklaard indien expediteur is uitgenodigd tot het doen van aangifte. Er bestaat immers slechts een verplichting tot het doen van aangifte indien daartoe een uitnodiging van de inspecteur wordt ontvangen. De verdediging concludeert dat het strafdossier geen wettig bewijs bevat dat een uitnodiging aan expediteur en/of rechtspersoon 1 is toegezonden. Derhalve concludeert de verdediging dat er geen uitnodigingen zijn uitgereikt aan expediteur en/of rechtspersoon 1 en verdachte in de zin van artikelen 6, 7 en 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), zodat niet bewezen kan worden dat ‘ingevolge wettelijke bepalingen vereiste aangiften’ zijn gedaan, waardoor vrijspraak dient te volgen.

Als subsidiair verweer stelt de verdediging zich voorts op het standpunt dat de aangiften feitelijk zijn gedaan door de expediteur. Bovendien was niet verdachte zelf, maar de expediteur in dat geval verplicht tot het doen van de bedoelde aangifte. Er kan derhalve geen sprake zijn van het doen van een opzettelijk onjuiste aangifte door verdachte als pleger. expediteur is als aangever de douanerechten verschuldigd. expediteur had derhalve als enige de kwaliteit van aangifteplichtige. Onder deze omstandigheden kan rechtspersoon 1 en/of verdachte niet als pleger worden aangemerkt en kan het ten last gelegde op dit punt niet bewezen worden verklaard.

De rechtbank volgt de verdediging niet in dit verweer en overweegt als volgt. Rechtspersoon 2 wenste in aanmerking te komen voor de preferentiële douanetarieven. Het begrip douaneaangifte wordt gedefinieerd in artikel 4 onder 17 van het Communautair Douanewetboek (CDW): ‘de handeling waarbij een persoon, in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze het voornemen kenbaar maakt de goederen onder een bepaalde douaneregeling te plaatsen’.

Douanerechten zijn geen belastingen die ingevolge de belastingwet bij wege van aanslag worden geheven, dan wel op aangifte worden voldaan of afgedragen. De verplichting tot het doen van aangifte vloeit rechtstreeks voort uit de douanewetgeving (artikel 59 CDW). Artikel 6 AWR heeft, anders dan de verdediging betoogt, geen betrekking op de douaneaangifte. Of de inspecteur een uitnodiging tot het doen van de onderhavige douaneaangiften heeft uitgereikt, is niet van belang. Derhalve faalt het verweer.

Het subsidiaire verweer vindt zijn weerlegging in het volgende. rechtspersoon 7 heeft als importeur niet-communautaire goederen Nederland binnengebracht met het oogmerk om deze in het vrije verkeer te brengen. Om dit te bewerkstelligen dienden deze goederen bij de douane ten invoer te worden aangegeven. Uit 64, lid 1, CDW volgt dat (met in achtneming van de voorwaarden uit het tweede lid) douaneaangiften gedaan kunnen worden door elke persoon die in staat is de goederen bij de douane aan te brengen of te doen aanbrengen en die alle bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor deze goederen zijn aangegeven. In casu heeft rechtspersoon 7 de aangiften ten invoer laten verrichten door haar douane-expediteur expediteur. Dit laat onverlet dat eerstgenoemde onderneming aansprakelijk gesteld kan worden voor de aldus door haar gedane aangiften. Dat expediteur de aangiften feitelijk heeft gedaan, laat onverlet de mogelijkheid dat rechtspersoon 1 expediteur als willoos werktuig heeft gebruikt en dat verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

Bewezenverklaring

Het bewezenverklaarde levert op

Ten aanzien van feit 1:

  • opzettelijk een ingevolge wettelijke bepalingen vereiste aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd
  • opzettelijk overgeven, of voor raadpleging beschikbaar stellen van bepaalde gegevensdragers, en valse of vervalste gegevensdragers overgeven of voor raadpleging beschikbaar stellen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

  • opzettelijk een ingevolge wettelijke bepalingen vereiste aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd
  • opzettelijk overgeven, of voor raadpleging beschikbaar stellen van bepaalde gegevensdragers, en valse of vervalste gegevensdragers overgeven of voor raadpleging beschikbaar stellen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot het verrichten van 200 uren taakstraf en tot het betalen van een geldboete van € 10.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF