Discrepantie tussen strafoplegging en strafmotivering

Hoge Raad 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:196

Het hof heeft de verdachte onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan 165 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. De strafmotivering houdt onder meer het volgende in:

“Hoewel het hof met de advocaten-generaal van oordeel is dat sprake is van ernstige strafbare feiten waarop in beginsel alleen met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden gereageerd, zal het hof daarvan in het onderhavige geval afwijken. Het hof houdt daarbij rekening met het feit dat de onderhavige strafbare feiten geruime tijd geleden hebben plaatsvonden en dat de verdachte sindsdien niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. Daarnaast houdt het hof rekening met de sindsdien gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit de door de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde stukken. Daaruit blijkt dat de verdachte met aanzienlijke gezondheidsproblemen kampt. Hij heeft diabetes, door schouderklachten is verdachtes rechterarm niet en zijn linkerarm slechts beperkt belastbaar en hij heeft slijmbeursontstekingen in beide heupen, waardoor sprake is van een verminderde mobiliteit. Er is sprake van een hoge ziekbeleving, waarbij verdachtes klachten zijn dagelijks leven domineren.

Het hof acht het gelet op al deze omstandigheden niet opportuun dat de verdachte, die ruim drie maanden in voorarrest heeft doorgebracht, opnieuw in detentie wordt genomen. Wel zal het hof, teneinde hem ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te begaan, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte opleggen.”
 

Middel

Het eerste middel behelst de klacht dat de strafoplegging onbegrijpelijk is nu het hof, anders dan het hof heeft overwogen in de strafmotivering, een gevangenisstraf heeft opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke deel uitstijgt boven de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd.

Ter onderbouwing van het middel wijst de steller in de toelichting op de omstandigheid dat het hof blijkens de strafmotvering onmiskenbaar heeft bedoeld een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk zou zijn aan de reeds ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis. In het licht van de strafmotivering betoogt de steller van het middel dat de opgelegde straf derhalve berust op een kennelijke misslag. Uit de aan de schriftuur gehechte correspondentie volgt dat het hof, ondanks een door de verdediging gedaan verzoek, geen herstelarrest heeft willen wijzen en het openbaar ministerie het arrest, ter fine van de executie, niet verbeterd heeft willen lezen.
 

Beoordeling Hoge Raad

De zich in het dossier bevindende stukken houden in dat de verdachte in de onderhavige zaak op 22 november 2011 in verzekering is gesteld, en dat het Gerechtshof Amsterdam de voorlopige hechtenis bij beschikking van 22 februari 2012 met ingang van 23 februari 2012 heeft geschorst. Het geschorste bevel voorlopige hechtenis is door de Rechtbank Amsterdam ter terechtzitting van 6 maart 2012 opgeheven. In aanmerking genomen dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat de voorlopige hechtenis op enig ander moment gelegen tussen 22 november 2011 en 23 februari 2012 geschorst is geweest, dan wel de schorsing van de voorlopige hechtenis tussen 23 februari 2012 en 6 maart 2012 is opgeheven, dient ervan te worden uitgegaan dat de verdachte 93 dagen uit hoofde van de onderhavige zaak gedetineerd is geweest.

In aanmerking genomen dat het Hof blijkens de hiervoor weergegeven overweging onmiskenbaar heeft bedoeld een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk zou zijn aan de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, berust de vermelde straf op een kennelijke misslag. De Hoge Raad leest de bestreden uitspraak met verbetering van deze misslag, te weten dat aan de verdachte een gevangenisstraf is opgelegd van 9 maanden, waarvan 177 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Aan het middel komt daardoor de feitelijke grondslag te ontvallen.

Opmerking verdient nog dat een kennelijke misslag als de onderhavige zich bij uitstek leent voor herstel door het Hof zelf. Het gaat immers om een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechter(s) die op de zaak heeft (hebben) gezeten overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arresten van 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243, NJ 2012/248, en 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478, NJ 2012/490. Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor ondubbelzinnig - en op kortere termijn - duidelijkheid komt te bestaan omtrent de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF