De opvatting dat de rechter die in een door het OM ingesteld beroep over een bezwaarschrift tegen de dagvaarding heeft te beslissen alleen de inhoud van het aan de eerste rechter ter beschikking gestelde dossier in zijn oordeel mag betrekken vindt geen steun in het recht

Hoge Raad 18 juni 2013, LJN CA3319

Procesgang

Aan verdachte is op 17 februari 2012 een dagvaarding betekend, waarin hij is gedagvaard om op 16 maart 2012 te verschijnen ter openbare terechtzitting. In de dagvaarding is de mededeling opgenomen dat het gaat om een regiezitting. Onder 1 van de desbetreffende dagvaarding is aan verdachte ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (art. 140 Sr). Verdachte heeft tegen die dagvaarding een bezwaarschrift ex art. 262 Sv ingediend.

In het bezwaarschrift is er namens verdachte onder meer op gewezen dat uit niets blijkt dat sprake was van enig strafbaar handelen, dat de rechter-commissaris de vordering tot bewaring ten aanzien van het feit onder 1 eerder had afgewezen, en dat de Rechtbank in het hoger beroep dat door de officier van justitie tegen die beslissing was ingesteld, deze beslissing heeft gehandhaafd.

De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat het dossier nog niet compleet was.

De Rechtbank heeft bij (herstel)beschikking d.d. 16 maart 2012 geoordeeld dat zij het "gelet op de thans voorliggende stukken" hoogst onwaarschijnlijk acht dat de strafrechter, later oordelend, tot een bewezenverklaring ter zake kan komen, en heeft het bezwaarschrift met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit gegrond verklaard.

De officier van justitie is in hoger beroep gegaan.

Het Hof heeft in hoger beroep, voor zover thans van belang, onder het kopje "De beoordeling van het bezwaarschrift" het volgende overwogen:

"De raadsman heeft verzocht de beschikking - voor zover voor hoger beroep vatbaar - van de rechtbank te bevestigen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het hof het bezwaarschrift dient te beoordelen aan de hand van de stukken die ten tijde van de behandeling in raadkamer voorhanden waren. Dit betekent dat het hof de inhoud van de 107 ordners niet zou mogen meenemen in zijn beoordeling. Naar de mening van de raadsman blijkt uit de stukken die ten tijde van de behandeling in eerste aanleg beschikbaar waren geenszins van feiten en omstandigheden die op enige betrokkenheid van verdachte bij een criminele organisatie zouden kunnen duiden. Zelfs de kennisname door het hof van de inhoud van de inmiddels aan het strafdossier toegevoegde 107 ordners zou dit niet anders maken.

De advocaat-generaal heeft de hiervoor weergegeven inhoud van de appelmemorie herhaald en zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank haar beslissing op lichtvaardige gronden heeft genomen. Bij de marginale toetsing van de inhoud van het thans voorhanden zijnde materiaal kan niet reeds op voorhand worden geoordeeld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot een bewezenverklaring van deelname van verdachte aan een criminele organisatie zal komen, zodat de beschikking - voor zover voor hoger beroep vatbaar - met betrekking tot feit 1 dient te worden vernietigd en het bezwaarschrift in relatie tot dat feit alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

Het hof stelt vast dat het proces-verbaal van politie in de onderhavige zaak thans 107 ordners bedraagt. Deze stukken zijn in geen enkel opzicht besmet, in de zin dat de rechtbank in een eerder stadium een oordeel over die stukken heeft gevormd ertoe strekkende dat deze van kennisname worden uitgesloten. Anders dan de raadsman stelt het hof derhalve voorop dat het bezwaarschrift dient te worden beoordeeld naar de stand van zaken zoals die zich ten tijde van de beoordeling aandient. De inhoud van voormelde ordners wordt dan ook in beoordeling meegenomen.

Gelet op de stukken van het dossier en het verhandelde in raadkamer doet zich naar het oordeel van het hof niet de situatie voor dat het hoostonwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot een bewezenverklaring zal komen van het hiervoor onder 1 weergeven feit, zoals opgenomen in de dagvaarding van verdachte."

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het bezwaarschrift ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd alsnog ongegrond heeft verklaard.

Beoordeling Hoge Raad

Voor zover het middel steunt op de opvatting dat de rechter die in een door het openbaar ministerie ingesteld beroep heeft te beslissen over een bezwaarschrift tegen de dagvaarding alleen de inhoud van het aan de eerste rechter ter beschikking gestelde dossier in zijn oordeel mag betrekken, en derhalve geen acht mag slaan op processtukken die het openbaar ministerie na het instellen van zijn beroep heeft overgelegd, faalt het omdat een dergelijke beperking geen steun vindt in het recht. Ook bij de beslissing op een door het openbaar ministerie ingesteld beroep tegen een op de voet van art. 262 Sv uitgesproken (gedeeltelijke) buitenvervolgingstelling is de rechter bevoegd, en in beginsel ook gehouden, alle aan hem ter beschikking gestelde processtukken in zijn beoordeling te betrekken.

Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof niet (nader) heeft gemotiveerd waarom uit de inhoud van het op dat moment uit 107 ordners bestaande procesdossier blijkt dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de zittingsrechter, later oordelend, een bewezenverklaring ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit kan bereiken, kan het evenmin doel treffen.

Het Hof heeft in zijn overwegingen tot uitdrukking gebracht dat het kennis heeft genomen van de stukken van het dossier, en was, mede gelet op het verhandelde bij de behandeling in raadkamer, niet gehouden uiteen te zetten hoe de inhoud van die stukken zijn oordeel kan dragen.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF