De lange arm van de Wet Bibob

De Wet Bibob is sinds 1 juni 2003 in werking en heeft zich in de afgelopen twee decennia ontwikkeld tot een van de meest ingrijpende bestuursrechtelijke instrumenten in het Nederlandse rechtssysteem. Wat begon als een gericht instrument om te voorkomen dat de overheid ongewild criminaliteit faciliteert, is uitgegroeid tot een breed ingezet screeningsinstrument met verstrekkende consequenties. Voor de juridische praktijk rijst de vraag: hoe ver reikt deze lange arm, en waar liggen de grenzen?

Het bereik van de Wet Bibob: van uitzondering naar regel

In de beginjaren werd de Wet Bibob vooral toegepast in risicosectoren zoals de horeca, de prostitutiesector en de bouw, hoewel de wetssystematiek van meet af aan breder was opgezet: het voorkomen dat de overheid door middel van vergunningen, subsidies en overheidsopdrachten criminaliteit faciliteert.

Sindsdien is het toepassingsbereik stapsgewijs verruimd. De wetswijziging van 2013 breidde de reikwijdte uit naar vastgoedtransacties. De wijziging per 1 augustus 2020 bracht vervolgens alle overheidsopdrachten onder het bereik (waar dat voorheen beperkt was tot de sectoren bouw, milieu en ICT), verruimde en preciseerde de Bibob-toepassing bij vastgoedtransacties, en versterkte de informatiepositie van bestuursorganen aanzienlijk. Het resultaat is een wet die in steeds meer sectoren wordt toegepast als onderdeel van de bestuurlijke besluitvorming.

Voor de rechtspraktijk betekent dit dat Bibob-problematiek zich kan voordoen in elk dossier waarin een Bibob-bevoegdheid bestaat — bij vergunningen, subsidies, overheidsopdrachten of vastgoedtransacties die beleidsmatig of wettelijk zijn aangewezen. De kring van potentieel betrokkenen is navenant breed: niet alleen de aanvrager zelf, maar ook financiers en andere functioneel betrokken derden — zoals personen die vermogen verschaffen, feitelijk leiding geven of als achterman invloed uitoefenen — kunnen in het Bibob-onderzoek worden betrokken. Familieleden komen alleen in beeld voor zover zij een dergelijke functionele rol vervullen.

De zakelijke omgeving: het web van relaties

Een van de meest verstrekkende aspecten van de Wet Bibob is de beoordeling van de zakelijke omgeving van de betrokkene. Centraal in artikel 3 staat de vraag of ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen of om uit strafbare feiten verkregen voordeel te benutten. Die beoordeling strekt zich uit tot personen die in een zakelijk samenwerkingsverband tot de betrokkene staan — een open norm die in de rechtspraak uitvoerig is uitgewerkt.

In de praktijk leidt dit tot een aanzienlijke uitbreiding van het onderzoeksobject. Een ondernemer kan worden geconfronteerd met een negatief Bibob-advies, niet vanwege eigen gedragingen, maar vanwege de antecedenten van een zakenpartner, financier of verhuurder. De invulling van het begrip 'zakelijk samenwerkingsverband' is sterk casuïstisch: de Afdeling bestuursrechtspraak hanteert weliswaar een stevige lijn, maar stelt ook eisen aan het duurzame en structurele karakter van de relatie.

Voor de praktijk is het van belang te onderkennen dat de zakelijke omgeving niet statisch is. Ook oudere relaties kunnen nog relevant zijn, mede gelet op de hergebruiktermijnen die de wet kent (het LBB en bestuursorganen mogen eerder uitgebrachte adviezen tot vijf jaar hergebruiken) en de beoordeling van samenwerkingsverbanden over langere perioden. Hoewel de wet geen formele onderzoeksplicht voor ondernemers formuleert, loont het in de praktijk om integriteitsrisico's in de zakelijke omgeving vooraf te adresseren. Het ontbreken van documentatie over de herkomst van vermogen of verklaringen over zakelijke relaties kan de beoordeling negatief beïnvloeden.

De bewijsrechtelijke positie: ongelijkheid als uitgangspunt

Een fundamenteel knelpunt in Bibob-zaken betreft de bewijsrechtelijke positie van de betrokkene. Het Bibob-advies is gebaseerd op gesloten bronnen waartoe de betrokkene geen toegang heeft. De informatiepositie van bestuursorganen is met de wijziging van 2020 weliswaar versterkt — zij kunnen inmiddels meer justitiële en fiscale gegevens betrekken — maar de betrokkene ziet vaak slechts (delen van) de dragende motivering, terwijl de onderliggende broninformatie beperkt toegankelijk blijft.

Dit plaatst de juridisch adviseur voor een lastige opgave. Hoe kan effectief verweer worden gevoerd tegen een advies dat is gebaseerd op bronnen die niet volledig kunnen worden geverifieerd? Op het bestuursorgaan rust een vergewisplicht: het moet zich ervan vergewissen dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en de conclusies kan dragen. Tegelijk heeft de Afdeling bestuursrechtspraak geoordeeld dat het bestuursorgaan in de regel mag afgaan op de weergave en kwalificatie door het LBB, nu eigenstandige bronverificatie doorgaans niet mogelijk is.

De zienswijzeprocedure biedt een moment waarop de betrokkene kan reageren op het voornemen tot weigering of intrekking. Echter, deze procedure vindt plaats nadat het advies reeds is uitgebracht. De betrokkene bevindt zich dan in een reactieve positie, terwijl de besluitvorming in feite al in een vergevorderd stadium is.

Cumulatie van gevolgen: het domino-effect

De gevolgen van een negatieve Bibob-beoordeling beperken zich zelden tot de specifieke vergunning of transactie in kwestie. In de praktijk kan een domino-effect optreden dat de gehele bedrijfsvoering ontwricht.

Sinds 1 oktober 2022 kunnen overheden gevaarsconclusies en meldingen registreren in het Bibob-register, dat wordt beheerd door het LBB ten behoeve van onderlinge informatie-uitwisseling. Dit register is niet openbaar, maar andere bestuursorganen kunnen het raadplegen bij hun eigen Bibob-beoordelingen. Daarnaast kunnen Bibob-besluiten (deels) openbaar worden via reguliere bekendmaking of de Wet open overheid. Het gevolg is dat een eenmaal gevestigd negatief beeld de betrokkene kan blijven achtervolgen, ook in andere gemeenten of bij andere vergunningaanvragen.

Daarnaast kan een negatieve Bibob-beoordeling civielrechtelijke consequenties hebben. Financiers kunnen financieringsovereenkomsten opzeggen, verhuurders kunnen huurovereenkomsten ontbinden en zakenpartners kunnen samenwerkingsverbanden beëindigen. De reputatieschade kan aanzienlijk zijn, ook wanneer geen strafrechtelijke veroordeling is gevolgd — de Bibob-beoordeling is immers preventief van aard en werkt met risico- en gevaarsbeoordelingen, waarbij ook strafbeschikkingen, OM-transacties en bestuurlijke boetes kunnen worden betrokken.

De positie van derden: onbedoelde slachtoffers

Een bijzonder pijnpunt betreft de positie van derden die worden geraakt door Bibob-besluitvorming. Werknemers van een onderneming waarvan de vergunning wordt ingetrokken, verliezen hun baan zonder dat zij invloed hebben gehad op de omstandigheden die tot de intrekking leidden. Huurders van vastgoed dat door de gemeente wordt geweigerd vanwege Bibob-risico's, kunnen hun huisvesting verliezen.

Derden worden door Bibob-besluiten soms indirect geraakt en vallen dan vaak buiten de formele kring van belanghebbenden. Hun mogelijkheden om op te komen tegen het Bibob-besluit zijn daardoor geregeld beperkt. Het bestuursorgaan dient weliswaar alle betrokken belangen af te wegen, maar de praktijk laat zien dat het algemene belang van criminaliteitsbestrijding doorgaans zwaar weegt.

Rechtsbescherming: mogelijkheden en beperkingen

De rechtsbescherming tegen Bibob-besluiten verloopt via de gebruikelijke bestuursrechtelijke weg: bezwaar, beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. De effectiviteit van deze rechtsbescherming verdient echter aandacht.

De rechter toetst Bibob-besluiten op zorgvuldigheid, draagkrachtige motivering en evenredigheid. Sinds de Afdeling bestuursrechtspraak op 2 februari 2022 een vernieuwd kader voor de evenredigheidstoets heeft uitgewerkt — met aandacht voor geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid — is de rechterlijke toetsing meer gedifferentieerd dan voorheen. De intensiteit varieert en kan, afhankelijk van de omstandigheden en de zwaarte van de betrokken belangen, indringender zijn dan de traditionele terughoudende marginale toets.

De toegang tot de onderliggende stukken blijft ook in de rechterlijke procedure een knelpunt. Artikel 8:29 Awb biedt de mogelijkheid om stukken uitsluitend aan de rechter te overleggen indien daarvoor gewichtige redenen bestaan — de rechter bewaakt de rechtvaardiging van deze beperkte kennisneming. Dit mechanisme kan echter spanning opleveren met het beginsel van equality of arms.

Strategische overwegingen voor de praktijk

Recente ontwikkelingen onderstrepen het belang van een proactieve benadering. De WODC-evaluatie van december 2025 concludeert dat de wetswijzigingen van 2020 en 2022 weliswaar worden gewaardeerd, maar in de praktijk opvallend beperkt worden toegepast — met name buiten de klassieke horeca- en bouwsector. Het Jaarverslag 2024 van het Landelijk Bureau Bibob toont dat het LBB stabiel circa 200 adviezen per jaar uitbrengt, terwijl het percentage adviezen met de conclusie 'ernstig gevaar' fluctueert (52,5% in 2023, 44% in 2024, 56,6% in 2025). Het gebruik van het Bibob-register groeit sterk: het aantal informatieverzoeken steeg van 5.657 in 2023 naar 9.342 in 2024, afkomstig van meer dan 350 bestuursorganen.

Tegelijk verscherpt de Afdeling bestuursrechtspraak haar toetsing. In de uitspraak van 22 januari 2025 inzake EatGreek/Kerkrade (ECLI:NL:RVS:2025:214) stelde de Afdeling strengere eisen aan het begrip zakelijk samenwerkingsverband: vereist is een zakelijke relatie die gericht is op samenwerking en een duurzaam en structureel karakter heeft. Een enkele huurrelatie of incidentele transactie volstaat niet. De uitspraak inzake Hotel Cataleya/Almere (ECLI:NL:RVS:2025:212) bevestigt daarnaast dat artikel 3 lid 6 Wet Bibob een zelfstandige weigeringsgrond biedt bij het plegen van een strafbaar feit ter verkrijging van de vergunning — het onjuist invullen van het Bibob-formulier kan op zichzelf al tot weigering leiden.

De inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 heeft eveneens consequenties: artikel 5.31 lid 1 Omgevingswet biedt nu de grondslag voor Bibob-weigering van omgevingsvergunningen, en waterschappen kunnen via omgevingsvergunningen eveneens het Bibob-instrumentarium inzetten.

Per 1 februari 2024 is daarnaast de Regeling Bibob-formulieren 2024 in werking getreden, waarbij vijf separate vragenformulieren zijn teruggebracht naar één universeel Bibob-vragenformulier op B1-taalniveau, met nieuwe vragen over voormalige en indirecte leidinggevenden, zeggenschaphebbenden en de identiteit van financiers.

Voor de juridische praktijk verdient preventief handelen meer dan ooit de voorkeur boven reactief procederen. Dit betekent dat bij vergunningaanvragen of vastgoedtransacties vroegtijdig moet worden geanticipeerd op mogelijke Bibob-problematiek. Een gedegen eigen onderzoek naar de integriteit van de betrokkene en diens zakelijke omgeving kan onaangename verrassingen voorkomen.

Indien een Bibob-onderzoek wordt aangekondigd, is adequate voorbereiding essentieel. Het verzamelen van documentatie die de legale herkomst van vermogen aantoont, het in kaart brengen van alle zakelijke relaties en het voorbereiden van een onderbouwde zienswijze kunnen het verschil maken.

Tot slot verdient het aanbeveling om de ontwikkelingen in de jurisprudentie nauwlettend te volgen. De rechtspraak over de Wet Bibob is in beweging, en nieuwe uitspraken kunnen nieuwe aanknopingspunten bieden voor verweer.

Conclusie

De Wet Bibob heeft zich in ruim twee decennia ontwikkeld tot een instrument met een breed bereik en ingrijpende gevolgen. De lange arm van deze wet reikt verder dan menig ondernemer vermoedt, en de consequenties van een negatieve beoordeling kunnen verstrekkend zijn. De WODC-evaluatie van 2025 bevestigt dat de wettelijke mogelijkheden inmiddels ruim zijn, maar pleit voor betere benutting van het bestaande instrumentarium boven verdere uitbreiding — met de zorgsector als mogelijke uitzondering. De minister heeft een beleidsreactie aangekondigd voor het eerste kwartaal van 2026, die richting zal geven aan de toekomstige ontwikkeling van dit centrale instrument in de bestuurlijke aanpak van ondermijning. Voor de juridische praktijk betekent dit dat Bibob-awareness onverminderd onderdeel moet zijn van de advisering aan ondernemende cliënten. Preventie is effectiever dan curatie, maar ook in de bezwaar- en beroepsfase blijven — zeker met de verscherpte evenredigheidstoets — mogelijkheden bestaan om de belangen van de cliënt te behartigen.

Print Friendly and PDF ^