De economische politierechter verklaart artikel 1.2.2, vijfde lid, van het Vuurwerkbesluit onverbindend. De verdachte wordt voor dit feit ontslagen van alle rechtsvervolging.

Rechtbank Rotterdam 6 maart 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:2117

Art. 1.2.2, vijfde lid, Vuurwerkbesluit verbiedt, kort gezegd, voorbereidingshandelingen met vuurwerk (“Het is eenieder verboden, ten einde handelingen als bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, voor te bereiden of te bevorderen”). Handelingen als bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid zijn, indien opzettelijk gepleegd, op grond van artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer jo. de artikelen 1a, sub 1 en 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten misdrijven met een strafmaximum van hooguit zes jaar. Dit wijkt af van het bepaalde in de hogere regeling van artikel 46 Van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dat voorbereidingshandelingen van een misdrijf met een strafmaximum van acht jaar en hoger strafbaar stelt. In elk geval voor een algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen als is voorzien in het Vuurwerkbesluit dient deze bepaling als uitputtende regeling te worden gezien:

"Indien principieel de strafwaardigheid van de voorbereidingshandeling wordt erkend, dient zulks plaats te vinden in het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht, waar ook de overige uitbreidingen van de strafrechtelijke aansprakelijkheid - anders dan voor het door een enkel persoon begaan voltooid delict - hun plaats hebben gevonden. Duidelijk dient aanstonds te zijn dat de strafrechttoepasser te maken heeft met een onvolkomen delictsvorm, waarvan de reikwijdte en betekenis geheel accessoir zijn ten opzichte van de eigenlijke verbodsnormen van de zelfstandige delictsomschrijvingen uit Boek II van het Wetboek van Strafrecht en, via artikel 91 van dat Wetboek, ook, indien nodig, uit de Bijzondere Strafwetten voorzover daarbij misdrijven in het leven geroepen worden" (MvT strafbaarstelling voorbereidingshandeling TK 1990-1991, 22 268, nr. 3, p. 3).

Deze laatste zinsnede maakt eens te meer duidelijk dat buiten de regeling van het Wetboek van Strafrecht om geen regeling van voorbereidingshandelingen in lagere regelingen kan plaatsvinden. Dit klemt te meer, nu in het Vuurwerkbesluit, anders dan in artikel 46b Sr, niet is voorzien in een regeling van vrijwillige terugtred.

Een grondslag voor een uitbreiding van de strafbaarheid als hier bedoeld, wordt ook niet gevonden in artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer. Kort gezegd, bepaalt artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer dat bij AMvB regels kunnen worden gesteld met betrekking tot het verrichten van handelingen met stoffen etc., als het vermoeden is gerezen dat daardoor ongewenste effecten voor de gezondheid van de mens of voor het milieu ontstaan. Nog daargelaten dat een open bepaling, zoals artikel 9.2.2.1 volgens de officier van justitie dient te worden gezien, in strijd is met het in artikel 1 Sr neergelegd lex certa gebod, machtigt deze bepaling niet expliciet tot het strafbaar stellen van voorbereidingshandelingen in algemene zin. Dit laat onverlet dat de wetgever in het Vuurwerkbesluit concrete gedragingen in de vorm van concrete krenkingsdelicten strafbaar stelt.

De rechtbank verklaart artikel 1.2.2, vijfde lid, van het Vuurwerkbesluit onverbindend.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit zal de verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly and PDF